Zestien mensen in vier tanks stoppen, ze van munitie voorzien en dan zeggen schiet eens op die schijven daar zou eenvoudig zijn, zo gaat het echter niet.

Er is heel wat kennis en training aan voor een peloton op de schietstand komt, elk van de vier bemanningsleden van een Leopard begon zijn loopbaan in de Pantserschool te Leopoldsburg, hier kreeg hij zijn basisopleiding.

 

De chauffeur leerde hier niet alleen de tank te besturen maar ook te onderhouden, dit ging an het controleren van water- en oliepeilen tot en met de voorbereidingen om de motor uit te bouwen.

Verder werd hij vertrouwd gemaakt met het materiaal dat hem ter beschikking stond, niet alleen de gewone steek, pot en Engelse sleutel maar ook krachtsleutels en werktuigen om de kettingen te monteren en onderhouden.

Al dat materiaal had zijn eigen specifieke plaats aan boord van de tank voornamelijk in de zijkoffers en de koffer achteraan, de grote sleutels waren op het achterdek vastgeklemd en de chauffeur moest deze blindelings kunnen vinden.

 

De lader/kanonnier, inderdaad een dubbele functie, de dienstplichtige lader werd in de loop der jaren vervangen door een beroepsmilitair.

Deze militairen leerden niet alleen wat er waar in de toren van de tank opgeslagen werd maar ook het onderhoud van de toren, het kanon en de machinegeweren, en natuurlijk ook het gebruik van de verschillende richtinstrumenten.

Buiten de tassen met de nodige sleutels om hun werk te doen was de toren vol gestuwd met de munitie, de grotere werktuigen zo als de poetsstokken voor het kanon vonden ook hun vaste plaats in de zijkoffers op de romp van de tank.

 

De lader was verantwoordelijk voor de stuwing van de munitie, in de toren bevonden er zich drie 105 mm achter zich in de toren, vier onder het kanon en elf in de ready racks rechtstaand op de torenvloer, de rest van de zestig granaten aan boord bevonden zich in de romp naast de chauffeur maar waren van uit de toren bereikbaar.

De vijfduizend patronen voor de machinegeweren werden ook in de toren bewaard op verscheidene plaatsen, duizend er van werden gebruiksklaar aan het coaxiaal machinegeweer geplaatst en een kistje van tweehonderdvijftig aan het dek machinegeweer.

 

De kanonnier zijn taak was het vuren met het kanon, het eerste wat hij aanleerde was het gebruik van zijn instrumenten, de optische afstandsmeter TEM die in het begin van de jaren tachtig vervangen werd door een automatisch vuurleidingssysteem (AVLS) van de Belgische firma SABCA, de richtkijker, en deze voor het vuren bij nacht.

Een groot gedeelte van de opleiding ging ook naar de vuurbevelen die de tankcommandant gaf en het corrigeren van het vuur.

 

De opleiding van de tankcommandant bevatte uiteraard ook boven genoemde stof, hier kwam dan zijn eigen instrumentarium bij, de panoramische kijker en de infrarood kijker, de radio, het gebruik van de schijnwerper, het stabilisatie systeem, om het kort te zeggen, de volledige techniek van de tank.

Aandacht werd ook besteed aan het werken met de mensen die hem toevertrouwd werden, zijn bemanning, hij moest hun niet alleen kunnen bevelen maar ook controleren en verder opleiden, het menselijk aspect mocht hier echter niet uit het oog worden verloren.

Om het verder opleiden van de bemanningen te kunnen werden er veel lesuren besteed aan de methodologie, de kunst van het les geven, later in de eenheid zal een tankcommandant nog dikwijls voor het bord komen te staan.

Een “dikke brok” van de opleiding was dan de tactiek, het leren omgaan met de tank op het terrein, theoretische termen zo als toren gedekt en romp gedekt, reacties op vijandelijk vuur en het nemen van een verplichte doorgang worden op het terrein in praktijk gebracht.

De schootstechniek komt nu de instrumenten gekend zijn ook aan de beurt, theorie ballistiek, het geven van vuurbevelen, de waarneming van het vuur, de correcties voor de kanonnier.

Na de theorie komt dan eindelijk het vuren zelf met 14 en 20 mm subcaliber waarbij de toekomstige tankcommandanten beurtelings de rol van kanonnier en commandant vervulden, uiteindelijk komt dan het moment dat men met het 105 mm kanon in Bergen-Hohne zijn “opleidingsvuur” mag gaan schieten.

 

Eens in de eenheid aangekomen begon dan het echte werk, men werd ingedeeld in een van de pelotons in het eskadron, nu moeten de nieuwelingen leren samen te werken met de andere bemanningen en tanks van het peloton.

In het begin van de jaren tachtig is men over gegaan van pelotons van drie tanks naar pelotons van vier tanks wat in de NATO als standaard aangenomen was.

Die verandering van tactische werkwijze had ook een grote invloed op de schootstechniek, de vier tanks moesten op een radiofrequentie werken, de pelotonscommandant moest er zijn vuurbevelen op geven en alle tanks hun meldingen en correcties, dat alleen al maakte het noodzakelijk nieuwe procedures te ontwikkelen.

 

Een tankpeloton bestond toen uit vier tanks met elk vier man aan boord, zestien man met elk een verschillend niveau aan opleiding en ervaring.

De oorzaak hiervan was dat er mensen verdwenen uit het peloton naar een andere job in het bataljon, of van het leger weggingen, deze mensen werden dan vervangen door nieuwelingen recht uit de school.

Het gevolg van die wissels was een regelmatige en doorgedreven training, zeker als het er op aan kwam dat het peloton naar de schietstanden in bergen moest vertrekken.

 

De training voor een schietperiode verliep in meerdere fases, in de eerste fase was de training van de vier kanonniers die tijdens de volgende schietperiode effectief moesten vuren toegespitst op de nauwkeurigheid van hun werk.

Hiervoor bestonden verschillende oefeningen, in het kwartier tussen de garages kon men “de prikker” en “ZMB” gebruiken.

De prikker was een apparaatje dat aan de loop werd bevestigd en een gaatje in een kaartje prikte als de kanonnier afvuurde, hij moest afwisselend meerdere doelen mikken en telkens “prikken” waarbij het de bedoeling was dat de gaatjes in elkaar vielen.

Voor de ZMB oefening waren die drie letters op de muur geschilderd en de kanonnier moest deze volgen, deze oefening was bedoeld de “tracking” van de kanonnier te controleren, dus de manier waarop hij de toren bewoog, hiervoor werd een potlood aan de loop bevestigd dat de letters op een kartonnetje kopieerde en zo elke foute beweging zichtbaar maakte.

Een derde oefening was dan het vuren met de FAL Plast, dit gebeurde op het terrein en hier stonden dan meerdere schijven tussen de 800 en 1500 meter van de tank opgesteld in de velden.

Voor de tank werd een bord met millimeterpapier er op gekleefd bevestigd, en op het kanonmasker een geweer FAL waarmee plastiek munitie werd afgevuurd, de kanonnier moest nu op de verschillende schijven meten, het midden mikken en afvuren, en net als bij de prikker moesten nu ook de gaatjes die de patronen in het bord maakten samenvallen.

 

Gedurende deze fase waren de chauffeurs en laders bezig met het normale werk terwijl de tankcommandanten ook aan hun training begonnen.

Hier kwam het er in de eerste plaats op neer de procedures te leren gebruiken, het snel herkennen van de verschillende combinaties van opduikende doelen, voor de pelotonscommandant een goede vuurverdeling te bevelen, alle tankcommandanten het hun toegewezen doel herkennen, de verschillende correcties leren bevelen en zeker en vast het gebruik van de radio.

Voor dit gedeelte van de training was in de theoriezaal een diaprojector opgezet en ook het benodigde radiomateriaal, de verschillende mogelijkheden werden geprojecteerd en de tankcommandanten moesten reageren.

 

Om nu dat alles te begrijpen moeten we eerst even een tankpeloton van korter bij bekijken, elke tank van het bataljon had zijn eigen codesign bestaande uit een letter en twee cijfers, de letter verwees naar het eskadron en werd binnen het eskadron niet gebruikt.

Om in het eskadron een peleton aan te duiden werd het eerste cijfer gebruikt, one, two en three, dit dus voor het eerste, tweede en derde peloton.

De individuele tanks in een peloton waren dan six voor de pelotonscommandant, five voor de pelotons adjunct, one en two voor de twee andere tanks, nog een veel gebruikt cijfer was zero, sprak de eskadronscommandant over “two zero” dan bedoelde hij het ganse tweede peloton.

Vermits twee tanks die tegelijkertijd de radio gebruiken elkaar storen en daardoor het radioverkeer lam legden was het belangrijk kort en bondig te zijn, zo werd in een peloton nog enkel het laatste cijfer gebruikt, in plaats van “two six this is two five over” klonk een oproep nog zo “six five”.

Ook de vuurverdeling, de correcties, de situatie van de munitie aan boord, kortom alle radioverkeer werd zo kort mogelijk gehouden.

Het spreekt vanzelf dat de tankcommandanten bij zo een verkorte procedure heel goed moesten opletten om geen woord te missen.

 

Zo als in de schets stonden de vier tanks op de schietstand netjes op een lijn, ook in de theoriezaal werd dit schema van af de eerste oefening gevolgd, en niet als in de tactiek werd voor het vuren het peloton in twee secties opgesteld.

De linker sectie bestond uit de two en five, de rechter uit six en one, en zo als op de schets te zien is werd het terrein ook in twee sectoren gedeeld, de beide secties vuurden dan op de doelen die in hun sector verschenen.

Een van de redenen is weer het gebruik van de radio, de pelotonscommandant duidde bij het begin van een sequentie een sectie aan die de voorrang kreeg bij het gebruik van de radio en automatisch de tank binnen de sectie die voorrang kreek, deze voorrang duidde tegelijkertijd aan welke tank op welke doelen moest vuren.

Die doelen verschenen vrij onverwacht over de volledige breedte en diepte van de schietstand in verschillende hoeveelheden variërend van een doel tot zes, er waren twee verschillende soorten, rechthoekige schijven die antitankgeschut, en trapeziumvormige die tanktorens voorstelden, beide moesten met de gepaste munitie beschoten worden.

Gaf de pelotonscommandant nu het vuurbevel “five-one” dan was de situatie zo als op de schets dadelijk voor iedereen in het peloton duidelijk, voor de radio was het five die eerst sprak en dan two, pas nadat two zijn correcties gegeven had kwamen one en six aan de beurt om te spreken.

De vuurverdeling was in dit geval ook nog eenvoudig, five en one hadden de voorrang binnen de sectie en vuurden op de doelen die het kortst bij stonden, hierbij wist two dus dat hij de munitie moest laden voor de antitank (ATK) schijf achteraan.

Het geven van correcties was noodzakelijk daar de munitie van het ganse peloton onvoldoende was om twee schoten voor elke tank schijf te hebben, hier werden de tankcommandanten dan ook getraind waar te nemen voor de andere tank in de sectie, in deze situatie schiet de kanonnier van de one op de voorste schijf terwijl de tankcommandant van de six op die schijf zal waarnemen waar het schot invalt en eventueel een correctie geeft of het schot als “doel” meld.

Die werkwijze was onder andere ook noodzakelijk daar een schot de loop verlaat met 1500 meter per seconden en een schijf snel bereikt, soms zo snel dat wegens opwaaiend stof voor de tank niet in staat is zijn eigen schot waar te nemen, een tweede reden was dat indien alle schijven getroffen werden de resterende munitie bonuspunten opleverden voor die battle run.

Een tot drie doelen vormden door de band geen probleem, bij vijf of zes doelen werd het moeilijker, deze konden zo ongelijk verdeeld zijn dat er in een sector een opdook en in de andere sector tot vijf doelen, hier werd dan ook wel degelijk op getraind.

Een ander aspect was dan het vuren al rijdend, tijdens een “sprong” werd door de vier tanks gevuurd met de “coax”, het machinegeweer dat naast het kanon gemonteerd is werd door de kanonnier bediend, de doelen hiervoor waren tien metalen plaatjes die in een cirkel met tien meter diameter waren opgesteld, werden ze getroffen kipten ze om.

Tijdens die sprong dook er ook ergens in het terrein een tank doel op, de tank die voorrang had in de sectie waar deze schijf verscheen moest dan het machinegeweer vuren onderbreken, dat doel beschieten met het kanon om dan terug over te gaan op machinegeweer.

Eens de tankcommandanten dit onder de knie hadden kwamen ook hun kanonniers naar de theoriezaal, voor hun kwam het er nu op aan de stemmen van de tankcommandanten in de radio te herkennen, ook de vuurbevelen te leren en ze te interpreteren, hij wist dat als zijn tank de voorrang had dat hij vooraan in zijn sector naar doelen moest uitkijken.

De kanonnier moest ook heel goed het radioverkeer kunnen volgen om de voor hem bestemde correctie uit te voeren, het korte “six mik rechts” dat de commandant van de one als waarnemer door de radio gaf moest hij horen en uitvoeren.

 

En dan begon er een tweede fase, vier tanks werden op het terrein opgesteld waar de drie pelotons beurtelings hun training verder zetten, nu werd de samenwerking van de vier tankbemanningen en de procedures tot in de puntjes getraind.

Nu worden er in het terrein een tien tot vijftien mensen opgesteld, chauffeurs, laders of ander personeel van het eskadron dat ter beschikking staat.

Ze worden voorzien van een schijf, een radio, en een voorraad rookpotjes, iedereen kent zijn nummer en op bevel van de leider van de oefening werpt de aangeduide nummer een rookpotje, bij de ontploffing en bijbehorende rook hiervan richten nu alle aangeduide nummers voor deze sequentie hun schijf op waarop het werk aan boord van de tanks begint.

Later in deze fase werd er ook geoefend op de verkorte schietstand, terwijl een peloton naar de rookpotjes uitkeek monteerde een ander 14,5 mm kanonnen in het 105 mm kanon en met de nodige voorzetlenzen kom men dan tot op 150 meter effectief vuren op miniatuurschijven zodat de oefening er uit zag alsof men met het 105 mm kanon zou vuren.

Nu kwamen ook de laders aan boord, niet allen om het 14,5 mm kanon te laden maar zeker om ook de procedures te leren, zij moesten ook aan de hand van de gegeven bevelen door de radio weten welke munitie te laden.

Het laden van het 105 mm kanon werd ook getraind in het kwartier met inerte munitie, zodra het kanon geladen was nam de lader al een tweede schot in de armen gereed, zodra het eerste schot vertrok werd het tweede letterlijk in het kanon gesmeten zodat de kanonnier een eventuele correctie direct kon uitvoeren.

Een uitzondering was het vuren op een ATK, hier werd op gevuurd met drie schoten hoog explosieve munitie, wist de lader dit dan werd het derde schot al tussen de knieën geklemd.

De bedoeling van drie schoten was na het eerste het tweede iets verder en het derde iets korter dan het eerste te laten vallen om zo met zekerheid alle onbeschermd personeel in de omgeving van het antitank geschut uit te schakelen, nu gebeurde het op de schietstand wel dat na een of twee schoten de schijf verdwenen was en werd de resterende HEP munitie gespaard en in geval van twijfel eventueel nog op een ATK doel van een andere tank verschoten.

Vermits de tanks nu naar de verkorte reden was ook de chauffeur aan boord en kreeg ook een taak toebedeeld, van het ogenblik dat het “contact” gemeld werd in de radio drukte hij zijn chrono in, het aftellen begon letterlijk want de schijven bleven dertig seconden staan, de rechthoekige antitank schijven veertig, de chauffeur gaf tussen het radioverkeer door via de interfoon de resterende tijd door aan zijn tankcommandant.

De communicatie tussen de tankcommandant, de kanonnier en de lader verliep zonder hulpmiddelen, gewoon hard genoeg roepen moest volstaan, hier ook de interfoon gebruiken zou het risico opleveren een radioboodschap te mislopen.

 

In een derde fase ging het eskadron naar Leopoldsburg, naar het Mecca van de tankisten, de Groep Leopard van de pantserschool.

Soms kon men hier gebruik maken van de daar opgestelde tanktorens ten behoeve van de leerlingen maar heel dikwijls ging de verplaatsing met de tanks van het eskadron per trein.

Hier ging men dan vuren met het 20 mm subcaliber, een 20 mm Hyspano-Suissa luchtafweerkanon werd op de loop gemonteerd en dat liet toe te vuren tot op 1000 meter wat de realiteit van het vuren met het 105 mm kanon vrij goed benaderde.

Op deze schietstand stonden verschillende radio bestuurde schijven die door het personeel van het Kamp Beverlo bediend werden zodat de bemanningen van de pelotons volledig aan boord waren en zodoende alles tot in de details kon geoefend worden.

Een andere mogelijkheid om met het 20 mm kanon te oefen was het Kamp Vogelsang, was de brigade waar het bataljon toe behoorde hier op kamp kon men een tweetal schietstanden voor 20 mm benutten en tevens gebruik maken van de stand 5 waar het mogelijk was al rijdend met het machinegeweer te vuren.

 

En eindelijk vertrok men dan naar Bergen-Hohne, eens op de schietstanden was er nog veel werk aan de winkel voor men uiteindelijk zijn “batle run” kon schieten, eerst en vooral kregen de tanks waar sedert hun laatste vuren aan het kanon was gewerkt, zo als de voorbrenger of een teruglooprem was vervangen of hersteld, kregen die tanks een “afstandsschot”.

Voor alle veiligheid werd de toren in gereedheid gebracht, het kanon geladen en klaar om te vuren, de wapenmaker had ondertussen ook zijn kabel aangesloten en nadat iedereen de tank verlaten had vuurde de wapenmaker van buiten de tank het schot af.

Daarna kwam het inschieten van de tanks, het eskadron werd op een lijn opgesteld op de schietstand en voor elk van de tot twaalf tanks stond een inschietschijf op 1500 meter, het spreekt voor zich dat elke tankcommandant goed natelde welke zijn schijf was want vergissingen leidden onvermijdelijk tot de beroemde “tournee general” in de bar.

Het eerste schot dat elke tank nu loste was het opwarmingsschot, dat schot ging gewoon ergens ver weg van de schijven het terrein in, dit diende uitsluitend om de loop warm te maken alvorens de inschietprocedure te beginnen.

Deze bestond er in drie schoten op de inschietschijf te schieten met een tussentijd van een paar minuten, de kanonnier moest het midden van de schijf mikken, dan naar boven en naar rechts de omtrek volgen om dan van onder naar boven weer het midden van de schijf te mikken, zonder er aan voorbij te gaan, hierdoor werden alle spelingen van de toren weggewerkt.

De inschietschijven waren speciaal voor dit doel, drie meter op drie meter met een dubbel kruis in het midden, het wit in het dubbel kruis was juist zo breed dat op de 1500 meter afstand de kruisdraden in de apparatuur van de kanonnier dit wit juist afdekte wat een heel hoge nauwkeurigheid van mikken toeliet.

Nadat de eerste tank zijn eerste schot had afgevuurd kreeg de tweede tank het bevel om te vuren en zo werd heel het rijtje afgewerkt, daarna kwam de tweede en de derde reeks waarna de tankcommandanten en hun kanonniers met de wapenmaker, de eskadronscommandant en alle andere belangstellenden naar de schijven gingen.

Nu werd er opgemeten waar de schoten gevallen waren, links, rechts, boven en onder op een centimeter nauwkeurig en hieruit werd dan het gemiddeld invalspunt berekend, en op dat punt een nieuw kruis geverfd.

Eens terug op de tank werd de schijf nog een keer omcirkelt volgens de procedure en de kruisdraden van alle instrumenten op het nieuwe kruis gezet.

 

Vermits een eskadron niet alleen in Bergen was gebeurde het dikwijls dat er eerst andere oefeningen op het programma stonden voor het inschieten, namelijk het kennis maken met de schietstanden waar uiteindelijk de battle run zou plaatsvinden.

Die oefeningen werden “dry run” genoemd omdat ze gedaan werden zonder munitie aan boord, verder waren ze wel identiek aan een echte run, elk detail in de aangeleerde procedures moest nu kloppen.

Eens de tanks ingeschoten begon men dan aan de “wed run” waarbij effectief met het 105 mm kanon werd gevuurd, om een aan training maximum uit het gebruik van de schietstand te halen was het de gewoonte dat een tweede en soms zelfs een derde peloton op een honderd tal meter achter de wed run volgde in een dry run.

 

Tijdens de tweede week van een dergelijke kampperiode kwam dan het grote moment dat men zijn “Battle run” ging schieten, die run telde mee in de Belgische competitie toen FRAT genoemd, elk peloton deed zijn uiterste best zo goed mogelijk te scoren en dat niet alleen om de eer, de scores van alle pelotons van het bataljon werden samen geteld en het bataljon met de beste uitslag gedurende twee opeen volgende jaren werd aangeduid om aan de Canadian Army Trophy deel te nemen.

Ook gedurende deze week bleven de pelotons die nog niet aan de beurt waren hun battle te vuren aan het werk op de andere standen door de ene dry run na de andere af te werken.

En zo na een maand of vier intensieve training stond men eindelijk gereed voor “actie op de banen twee drie vier en vijf” zo als het van de controletoren in een adem door de radio kwam, nog de groene vlag vervangen door de rode en ... ...

Eens deze periode voorbij begon dan weer de training voor een ander aspect van het werken met de tank, dan kwam de volgende FTX in het zicht en heette het “tactiek instuderen” maar dat is dan weer een ander hoofdstuk.

 

Een reeks foto's in het beschreven type Leopard

En tot slot nog een geluidsopname van een battle run met een paar foto's opgenomen tijdens een run.