Na de snelle opmars door Frankrijk werden er plannen gemaakt voor een invasie in Groot Brittannië, deze operatie Seelöwe leidde tot een paar eigenaardige neveneffecten.

 

Majoor Siebel van de Luftwaffe was einde Juli belast met de weder activering van de Franse vliegtuigfabrieken in de omgeving van Le Havre, toen hij van een Officier van de Wehrmacht de vraag kreeg naar uitgediende vliegtuigtanks om vlotten te bouwen voor een landing in Engeland begon hij zich voor dit thema te interesseren.

Op zijn initiatief werd op 15 Augustus 1940 in Antwerpen het Sonderkommando Siebel opgericht met als doel geschikte landingsboten te ontwikkelen en te bouwen.

Als vlotters gebruikte Siebel bestaande de pontons van het zware brugslagmateriaal van de genie en voor de aandrijving watergekoelde uitgediende vliegtuigmotoren die hun maximum vlieguren bereikt hadden en waarvan voldoende aantallen in de arsenalen van de Luftwaffe aanwezig waren.

Het eerste type met de benaming Schwere Fähre 40 ontstond einde September en bestond uit twee vlotters van elk acht pontons en twee eindstukken, beide werden tot een catameran verbonden door een speciale constructie vervaardigd door de firma Krupp Stahlbau Rheinhausen.

De aandrijving bestond uit vier vrachtwagen motoren in de eindstukken en drie vliegtuigmotoren met propellers, het stuurhuis was centraal gelegen, van dit type werden er 27 gebouwd.

Van het tweede type Schwere Fähre 41 genoemd werden er tien besteld maar slechts vier gebouwd, wegens het hoge benzineverbruik werden de vliegtuigmotoren hier niet meer gebruikt maar werd een sterke Franse buitenboord gemonteerd om de snelheid te verhogen.

Daar ook deze oplossing niet bevredigend was werd door het Sonderkommando Siebel een speciaal eindstuk ontworpen, deze zogenaamde Luftwaffen-Sonderschiffe konden een BMW vliegtuigmotor met versnellingsbak opnemen en hiermee was de eerste Sieblfähre 40 ontstaan.

Deze vaartuigen waren 24,25 meter lang, 13,70 meter breed met een diepgang van 1,20 meter, de afstand tussen de pontons was 5,50 meter.

In December 1940 kreeg de firma Krupp Stahlbau Rheinhausen de opdracht tot de bouw van 200 exemplaren waarvan het eerste geleverd werd midden Februari 1941.

De enige nadelen waren het hoge verbruik van vliegtuigbrandstof en de ontvlambaarheid van deze brandstof wat een voortdurend brandgevaar met zich meebracht, de grote voordelen dan weer de gemakkelijk te herstellen schade door het verwisselen van beschadigde componenten en secties, zelfs het recupereren van delen bij een totale schade vormde geen probleem.

De Siebelfähre 41 was een verdere ontwikkeling met versterkte dragers en een hogere belasting, het stuurhuis werd hier ook weer verder naar achter geplaatst.

Door de modulaire bouw was het mogelijk snel varianten te ontwikkelen, zo werden er testen gedaan door het vaartuig uit te rusten met boegelementen om torpedo's af te vuren,die ontwikkeling werd niet verder gezet, twee vaartuigen werden ingericht en gebruikt als loodsboot.

Het vaartuig werd wel ingezet als luchtafweerschip, op de zware versie kon drie of vier Flak 88 kanonnen gemonteerd worden, op de lichte Flak versie twee enkele 37 mm en vier vierling 20 mm Flak kanonnen.

Andere vaartuigen deden buiten transportschepen dienst als mijnenlegger, hospitaalschip, drijvende werkplaats en ook het bergen van watervliegtuigen behoorde tot hun opdrachten.

De eerste inzet was in de zomer 1941 op de Zwarte Zee, later vooral het Ladogameer, het Pepiusmeer en het Ilmenmeer, in de laatste oorlogsjaren volgden Noorwegen en de Oostzee.

In 1943 maakte de Luftwaffe een nieuwe constructie waar geen gebruik meer van pontons werd gemaakt, van de Siebelfähre 43 werden tot 14 September 1944 slechts 18 stuks geleverd, door het niet gebruiken van gestandariseerde onderdelen was de seriebouw te gecompliceerd geworden.

De laatste ontwikkeling was de Siebelfahre 44, hier werd teruggegrepen naar het modulaire systeem en het gebruik van pontons, door de oorlogsontwikkelingen is er slechts een schip gebouwd dat Februari 1945 voor testen aan de troepen geleverd werd.

Gedurende doorlog zijn er ongeveer 400 gebouwd waarvan er 42 zijn verloren gegaan.