Na de Poolse nederlaag en nog voor het begin ven de campagne in het westen vroeg de Kriegsmarine de mogelijkheden van een invasie in Groot Brittannië te bestuderen vermits die onder bepaalde omstandigheden voor de verdere oorlog noodzakelijk kon blijken.

 

Na de val van Frankrijk toen de westelijke kust vrij kwam werd op een vergadering geleid door de chef van de generale staf Generaloberst Franz Halder en de chef van maritieme oorlogsvoering Admiral Schniewind de basis voor een oorlogsvoering tegen Engeland vast gelegd.

 

Volgens de chef van het Heereswaffenambt General Leeb konden hiervoor 100 Panzer III en 20 Panzer IV voor onder water te rijden klaar gemaakt worden.

Deze zouden met overzetboten vervoerd worden en aan de kust via een hellend vlak het schiep moeten verlaten om over de zeebodem op eigen kracht het strand te bereiken.

 

In Putlos werden met deze tanks door de pantserafdelingen A, B en C de testen begonnen, bij een bespreking met General von Thoma op 18 Augustus 1940 werd bekend gemaakt dat in Putlos 4Sonderabteilungen of ongeveer twee Compagnieën gereed stonden.

Dit waren dan 152 panzerkampfwagen III, 48 Panzerkampfwagen IV en 52 Schwimmpanzer.

Bij de voorbereiding van operatie Seelöwe werden op 9 September 1940 het XIII Legerkorps de Pz. Abt. (U) B in Oostende en de Pz. Abt. (U) D (-1 Cie) in Duinkerken toegewezen, het VII legerkorps bekwam de Pz. Abt. (U) A in Calais.

 

Op 17 September 1940 word operatie Seelöwe voor onbepaalde tijd uitgesteld en op 12 Oktober naar het voorjaar van 1941 verschoven, op 7 November 1940 werd besloten de tanks over te dragen aan de op 26 Oktober 1940 nieuw opgestelde 18 Panzerdivision.

Deze divisie bleef tot April bij het 11 leger en ging in Mei en Juni 1941 over naar de 2Panzer Gruppe om dan met deze in Juli naar het Oostfront te vertrekken.

Niet alle voertuigen werden terug omgebouwd tot standaard tanks, enige hebben tijdens de veldtocht in Rusland de Bug overgestoken, niet met de snorkel zo als op de beelden te zien is maar wegens de lage waterstand met een systeem dat vergelijkbaar is met dat wat in gebruik is voor de Leopard.

 

Er zijn twee verschillende systemen getest en gebouwd, de drijvende tank Panzerkampfwagen II en de duikende tanks Panzerkampfwagen III en IV.

Bij de bevrijding van België werd ook een drijvende Pz. Kpfwg. IV gevonden door de 21 US Army Goup, deze verschilde weinig van de hier beschreven Pz. Kpfwg. II.

 

Bij de Schwimmpanzerwagen II waren zo als op de beelden duidelijk te merken is twee vlotters in de vorm an langwerpige vlotters aangebracht, deze waren voorzien van twee stangen die ingehaakt werden op vier op de romp aangebrachte koppelingen.

Aan de binnenzijde steunden de vlotters ook nog op verlengingen die op de teruglooprollen aangebracht waren.

Op de aangedreven wielen was een systeem gemonteerd dat via kruiskoppelingen en een as die door de vlotters liep twee scheepsschroeven achteraan de vlotters aandreef, de sturing gebeurde net zo als op land door een zijde af te remmen.

Deze combinatie haalde slechts een snelheid van tien kilometer per uur op het water maar wel konden indien nodig de boordwapens gebruikt worden.

Bij de buitgemaakte Pz. IV waren de vlotters van alluminium en het aandrijfsysteem enigszins gewijzigd, hier was een tandwiel op het aangedreven wiel gemonteerd dat de as rechtstreeks aandreef.

Amerikaanse testen hebben uitgemaakt dat dit systeem niet helemaal voldeed, ook de afdichtingen van toren en luiken waren ontoereikend.

 

De Tauchpanzer, ook wel Unterwasser-Panzer genoemd werd een andere techniek toegepast, deze waren gemaakt om op de zeebodem te rijden.

Zo als reeds vermeld moesten ze per schip zo kort tot aan de kust gebracht worden tot het schip op grond liep, daarna zouden de Tauchpanzer via een hellend vlak het schip op eigen kracht verlaten en over de zeebodem tot op het land rijden.

Het spreekt vanzelf dat alle mogelijke plaatsen zo als luiken en kijkspleten waar het water kon binnendringen goed afgedicht moesten worden, zo werden over de wapens en de koepel van de commandant een gummi dichting gespannen die na het opduiken snel door middel van een knalkoord konden afgeworpen worden.

De uitlaten werden van kleppen voorzien zo dat de uitlaatgassen konden ontsnappen maar dat een indringen van water onmogelijk werd.

De lucht voor de bemanning en de motor werd aangevoerd via een versterkte gummi slang die als snorkel dienst deed, deze slang kon tot vijfentwintig meter lang zijn en bezat aan het einde een boei met de luchtinlaat en een radioantenne die radiocontact met de andere tanks en de leiding mogelijk maakte.

De testen werden verschillende diepten tot vijftien meter ondernomen om de drukverschillen te bestuderen en de invloed hier van op de afdichtingen te leren kennen, hier lag het grootste probleem, de luchttoevoer kon altijd met het verlengen va de schnorkel gegarandeerd worden.

 

Die ganse onderneming klinkt schijnbaar eenvoudig en doorgaans oplosbaar maar gaat slechts op als de kust van de landingsplaats een vlakke bodem en een zacht hellend strand heeft, dergelijke plaatsen werden dan ook uitgezocht voor een invasie.

Wat echter als er op de zeebodem weke plaatsen of kuilen waren die de bemanning niet kon zien, en wat met troebel water, de eerste tanks zouden daar nog niet te veel last mee hebben maar zouden wel met hun kettingen de zeebodem omwoelen zodat de opvolgende tanks weinig zicht zouden hebben.

Andere gevaren waren beschadiging van de snorkel door ongeval of beschieting van de verdedigers, het uitvallen van de motor of beschadiging van een ketting.

 

De eerste testen werden uitgevoerd door de tank aan een kraan in het water te laten zakken, hierbij bleef het uiteinde van de snorkel bij de begeleidende manschappen en een tweede voordeel was dat in noodgeval de tank snel terug kon opgehesen worden.

In een verder stadium werd dan overgegaan tot het al rijdend verlaten van een schip zo als het in de werkelijkheid ook zou moeten.