De Franse AMC35 middelzware tank die in het Tankmuseum in Saumur ten toon staat was in 1940 in Belgische dienst onder de benaming middelzware cavalerietank ACG-1

In het kader van de modernisering van het Belgisch leger besloot de regering op 13 september 1935 tot de aankoop van tanks.
De aankoop zou bestaan uit 25 Franse Renault AMC model 35 voertuigen. De bewapening bestond uit een 47 mm APX2B FRC kanon en een 7.62 mm Hotschkiss machinegeweer. Als bemannig had deze tank een tankcommandant, kanonnier en chauffeur.
Elk van de twee cavalerie divisies zou een eskadron van acht tanks en een reservevoertuig krijgen, de Chasseurs Ardennais zes voertuigen en een reserve voertuig.
Na de nodige vertragingen werd uiteindelijk in juni 1937 de eerste tank, nr 803, aan het Belgisch leger geleverd. De tank was wel zwaarder dan oorspronkelijk voorzien maar voldeed uitstekend op oefening in het moeilijke terrein van de Belgische Ardennen. Onder de politieke druk van de neutrale fractie in het parlement werd het contract opgezegd en kreeg Renault een schadevergoeding. Het vrij gekomen geld werd besteed aan de aankoop van de lichtere en goedkopere Britse Carden-Loyd T13 carriers.
Op 21 april 1938 tekende het Belgisch leger een nieuw contract voor de levering van tien tanks, hier waren ook de kosten van de reeds geleverde tank nr 803 inbegrepen. De productie begon in november 1938 en in de loop van het volgend jaar werden de overige negen voertuigen afgeleverd. De nummers 806, 814 en 817 kwamen toe op 30 maart 1939. Op 19 mei werden de nummers 807, 823 en 829 geleverd. De laatste drie,830, 831 en 833 arriveerden uiteindelijk op op 7 augustus 1939. Bij deze gelegenheid werd tank nummer 803 voor revisie terug naar Renault gestuurd.
Om de Duitsers niet te provoceren en de neutraliteit te bewaren werden deze voertuigen aangeduid als pantserwagens en niet als tanks.
Op 1 september 1939 werden de bemanningen in Watermaal-Bosvoorde officieel in hun eenheid ingelijfd en naar Gent gestuurd om hun voertuigen in ontvangst te nemen.
De directeur van de Gentse haven verleende het leger toegang tot een nabij gelegen braakliggend terrein dart al snel werd omgevormd tot een oefenterrein voor de tanks.
Tegen eind oktober werden de tanks met hun bemanningen overgeplaatst naar het Kamp van Beverlo. Hier werden nu de door Kapitein Hullebroeck nieuw geschreven regels voor de samenwerking met infanterie geschreven regels in de praktijk gebracht. De tactische oefeningen werden uitgevoerd met de Vijfde Infanterie Divisie.
Op 24 december 1939 verhuisde het eskadron naar Brussel. Het was georganiseerd in twee pelotons van vier tanks en twee voertuigen in reserve.
Elk Cavalerie Regiment kreeg vier tanks plus een gedeelte van de staf. De meeste bemanningen behoorden tot de klas van 1935 en waren geoefend als ruiter.
Van het Eerste Gidsen kwam Luitenant Gailly (807), Wachtmeester Plissard (817), Adjudant KRO Pulings (829) en Wachtmeester Frankinet (832).
De bemanningen van het Tweede Lansiers stonden onder leiding van Luitenant Schreiber (814), Wachtmeester Verboven (803), Wachtmeester Dumortier (831) en Wachtmeester Dumoulin (833).
De twee reserve voertuigen, 806 en 823, vertoonden verschillende defecte wat leidde tot de beslissing van kapitein Hullebroek deze te ontmantelen voor reserve onderdelen.
Toen het nieuws van de Duitse invasie op 10 mei bekend werd verhuisde het eskadron naar Schaarbeek.
De bemanningen werd opgedragen uit te kijken naar vijandelijke parachutisten en startten met patrouilles in en rond Brussel.
Op 16 mei verplaatste het eskadron zich naar Humbeek en werd onder operationeel bevel van het Eerste Lichte Regiment geplaatst.
De opdracht was als mobiele anti tank eenheid de bruggen tussen Willebroek en Vilvoorde te verdedigen.
Onze tanks kwamen de eerste keer in actie op 17 mei 1940 toen vijandelijk verkenners werden waargenomen bij de brug in Kapelle op den Bos.
Adjudant Pullings in tank 829 en Adjudant Dumoulin in tank 833 openden het vuur.
Tank 829 werd frontaal getroffen door een PAK37 antitank granaat. De chauffeur Camille werd gedood en de kanonnier Lutin gewond. Nadat tankcommandant Pullings de eerste hulp had toegediend klom hij terug in zijn toren en zette, werd, alleen het gevecht veder.
Toen de situatie onhoudbaar werd verliet hij de tank en vuurde met de mitrailleur verder op de vijand. Nu van uit een nabijgelegen huis en in gezelschap van een sergeant van de grenswielrijders. Pullings wist mee te ontsnappen in de sidecar van de grenswielrijder.
Tank 833 onder het commando van Adjudant Dumoulin bleef in actie tot om negen uur het bevel tot de terugtocht kwam.
Hij bewoog zijn tank zodanig dat de kanonnier in staat was de vijand te bestoken zonder zelf geraakt te worden.
De rest van het Eskadron dekte op zeventien mei als achterwacht de terugtocht van de infanterie richting Dendermonde.
Hierbij brachten ze nog verschillende verliezen toe aan de aanvallende Duitsers.
Op achttien mei juist na dageraad bereikte het Eskadron Dendermonde. Het bestond uit Kapitein Hullebroeck met zijn staf en de drie tanks van luitenant Schreiber's Tweede Lansiers.
Kapitein Hullebroeck besloot niet ter plaatse verder te vechten maar zijn Eskadron te verzamelen in Lotenhulle ten westen van Gent waar ze rond vier uur in de namiddag arriveerden.
Luitenant Gailly zijn drie overblijvende tanks braken het gevecht af en volgden de orders om in Dendermonde te hergroeperen.
De Gidsen konden nog over de kanaalbrug juist voor ze opgeblazen werd en begaven zivh naar het hoofdkwartier van de Zesde Infanterie Divisie om uit te vissen waar Kapitein Hullebroeck en het andere peloton zich bevonden.
Niemand kon hen helpen en Luitenant Gailly reed met zijn drie tanks naar de commandopost van de Cavalerie in Destelbergen.
Hier kwamen ze toe rond zes uur in de namiddag en kregen het bevel steun te verlenen aan de Tweede Cavalerie Divisie in Tereken bij Sint Niklaas.
De twee pelotons waren nu door meerdere kilometers gescheiden.
Kapitein Hullebroeck stelde het peloton dat bij hem was onder het commando van de Eerste Divisie Ardeense Jagers om de Dender te verdedigen.
Het peloton van Luitenant Gailly bevond zich op de linker Scheldeoever en trachtte de Duitse opmars naar Antwerpen te stoppen.
Op 19 mei rond elf uur werden de tanks samen met infanterie en enkele pantserwagens van de Tweede Cavalerie Divisie naar Zwijndrecht gestuurd.
Daar de tasnks geen radio hadden werden ze begeleid door enkele soldaten wielrijders die de moeilijke communicatie te verzorgden.
De tanks rukten op richting Kruibeke en onderweg viel tank 833 onder commando van Wachtmeester Denis zonder brandstof.
De twee overblijvende tanks bereikten rond zes uur in de namiddag waar ze in de Burchtstraat contact maakten met de oprukkende Duitse eenheden.
Tank 807 van Luitenant Gailly reed op kop op honderd meter gevolgd door tank 832 van Wachtmeester Frankinet.
De tank van Luitenant Gailly werd getroffen door een PAK37 antitank granaat.
Hij wist alhoewel verbrand uit de toren te ontsnappen
maar zijn kanonnier bleef in het voertuig.
Ook de chauffeur Sansen kon gewond uit de tank geraken.
De twee overlevenden kropen tussen de huizen en door de velden terug naar de Belgische linies.
Het peloton bestond nu nog uit een enkele tank.
Die nacht trok de Tweede Cavalerie Divisie terug tot Moervaart en gebruikte het kanaal Gent-Terneuzen als defensieve stelling.
Het contact met de vijand nabij Zwijndrecht werd rond negen uur avonds verbroken en tank 833 die ondertussen terug brandstof had kon tank 832 vervoegen.
Op 20 mei bereikte de Wehrmacht de oostelijke rand van het Gentse bruggenhoofd.
Er ontstonden gevechten nabij Kwatrecht ten zuid westen van Gent waar die nacht het peloton van Luitenant Schreiber naartoe werd gezonden.
In de morgen van 21 mei kreeg tank 814 van Luitenant Schreiber een voltreffer waarbij de ganse bemanning omkwam.
Tank 803 kreeg eveneens een aantal treffers van een Duits PAK37 te verwerken.
Hierbij sneuvelden de tankcommandant Wachtmeester Verboven en zijn kanonnier Delens.
Hun chauffeur Goossens wist het incident te overleven.
Op 22 mei trokken de overblijvende tanks terug achter de Leie naar Zwevezele en kregen hier een korte rustpauze.
Op de middag van 24 mei kregen de drie overblijvende tanks het bevel zich naar Moorslede te begeven om daar andere gepantserde voertuigen van de infanterie eenheden te vervoegen.
Ondertussen had de Duitse opmars in Frankrijk ten zuiden van de Belgische grens de kust bereikt.
In de morgen van 25 mei bereikten de tanks Sint-Eloois-Winkel en begonnen van hier uit aan patrouillewerk.
Op 26 mei werden de tanks beschoten door een Belgisch 45mm kanon en om dergelijke vergissingen te voorkomen kregen ze het bevel een Belgische vlag te voeren.
Die nacht werd het Eskadron tanks versterkt door enige Carden Loyd T13 B2 tanks.
De opdracht luidde nu uit te kijken naar mogelijke Duitse infiltraties.
Tank 832 werd met enige T13s op patrouille tussen Moorslede en Tuimelaars gezonden.
Tank 833 met zijn T13s werden naar Koekuithoek verplaatst en de overblijvende tank met een aantal T13s naar Vierkavenhoek waar ze een mobiele reserve vormden.
Op de laatste dag van de slag werden de tanks teruggetrokken naar Roeselare.
Slechts twee ACG-1 tanks waren toen nog operationeel.
Hier kreeg het Eskadron dan ook bij de overgave het bevel de gevechten te staken.

 

De Belgische AGC-1 in het tankmuseum van Saumur (Frankrijk)
Gevechtsschade aan de toren
Tank 803 uitgeschakeld in Kwatrecht

 

Tank 807 uitgeschakeld in Zwijndrecht

 

Tank 829 uitgeschakeld in Kapelle op den Bos