“Toen” is het verhaal van Karel Mertens en zijn strijdmakkers van de klas 39 die dienden in het Negende Linie Regiment, de geschiedenis is onveranderd weergegeven zo als Karel ze schreef einde der jaren tachtig.
Karel vierde nu in 2015 zijn 95ste verjaardag en is de enige nog levende veteraan van zijn eenheid.

Woord vooraf.

Het weerzien van twee wapenbroeders na 45 jaar, ligt aan de basis van het tot stand komen van deze brochure.

Karel MERTENS en ikzelf hebben mekaar weergezien op 3 juni 1984 bij de herdenkingsplechtigheid in Kachtem. Het werd een spontaan en opzienbarend weerzien ginds in dat lokaal. Vele omstaanders keken verwonderd op naar die twee die, zonder zich om iemand te bekommeren, in mekaars armen vlogen en elkaars voornaam uitjubelden. Het waren net twee broers die mekaar terugvonden na een eeuwigheid scheiding.

Veel tijd om van gedachten te wisselen hadden ze helaas niet omdat het de hoogste tijd was om aan tafel te gaan. De ene had ingeschreven voor het feestmaal, de andere niet. In alle haast werden naam, adres en telefoon-nummer neergepend op een bierviltje. Was het wederzien maar van korte duur, het was alleszins bijzonder hartelijk.

Lang heeft het niet geduurd alvorens die twee mekaar terugvonden. Het werd dan telkens een onbeschrijfelijk wederzien. Er werd veelvuldig over de kameraden gesproken en menige belevenis werd opgehaald. Zo groeide al heel snel de idee om de mannen van de 4/7, klas 39 bijeen te brengen in een gezellig onderonsje. Algauw werden, langs verscheidene kranten om, oproepen gedaan opdat de veteranen zich zouden melden. Die oproepen hebben de ge-hoopte weerklank gevonden want spoedig waren meer dan de helft van de mannen van de 14de Kie. teruggevonden.

Het is onze vriend en wapenbroeder Karel Mertens die op zekere dag, geheel onverwachts, verklaarde dat onze belevenissen zouden moeten te boek gesteld worden. Hijzelf zou instaan voor het fotografiewerk, terwijl hij me vroeg de samenstelling van de brochure op mij te nemen. Die idee werd druk besproken, ook met andere wapenbroeders die we inmiddels weergezien hadden. Allen vonden het, zonder meer, een uitstekend idee.

We hebben ons dan maar aan het werk gezet en dank zij de bereidwillige medewerking van adjudant HOSCHET en sergeant BUTTIENS, alsook nog van andere wapenbroeders die ons het relaas van hun wedervaren opstuurden, is deze brochure tot stand kunnen komen.

Het geheel is onderverdeeld in drie rubrieken : In de kazerne - De mobilisatie - De achttiendaagse veldtocht. Het is niet opgevat als een geschiedkundig, maar wel als een waarheidsgetrouw iets. In dit relaas zal, zo hoop ik toch, menigeen zich betrokken voelen. Is dat zo dan vinden we dat hartstikke fijn want dat was ook onze doelstelling.

Odi MENSEEREN.

 

 

 

In de kazerne. 

Iedere Belg van het mannelijk geslacht moet, ingevolge de wetten van dit land, militaire dienstplicht vervullen. Vanaf ons zestiende levensjaar stonden we ingeschreven in de militielijsten en maakten we, na te zijn verschenen voor de keuringscommissie en te zijn goedgekeurd voor de dienst, deel uit van de wervingsreserve. Zo luidde nu eenmaal de wet en hieraan was niet te ont- komen, bij wijze van spreken, want er zijn er altijd die de dans ontspringen.

Uitgerekend op donderdag 30 maart 1939, trokken honderden jongelingen van de klas 39, sommigen nog geen 19 jaar oud, naar de kazerne toe. Het is precies of het pas gisteren gebeurde en ach, het is reeds meer dan 45 jaar geleden. Nu kun je stellen : "Waarom er dan nog over spreken ?"

Welnu, het verleden is iets waarover men met een relatieve zekerheid kan praten. Het was immers een uitzonderlijke gebeurtenis voor elke jongen die naar "den troep" moest, waar hij heel wat zou beleven. Van horen zeggen, was het daar dat ze van jongens, mannen maakten en van burgers, bekwame soldaten die, indien het ooit nodig zou worden, met de wapens in de hand, het grondgebied van het vaderland zouden moeten verdedigen tegen elke indringer.

Dat het kazerneleven, in zekere zin, een omwenteling was voor vele jongens, staat buiten kijf. Hei was immers wennen aan het samen leven, een vaste dagindeling opgelegd werden, en de tucht ondergaan die nu eenmaal de spil scheen te zijn van een volwaardig leger. Wie er voor de tweede wereld- oorlog kennis mee heeft gemaakt kent ongetwijfeld de positieve en negatieve kanten van dit leven binnen de kazernemuren met al zijn nevenverschijnselen.

Op die bewuste donderdag 30 maart 1939, stapten ook wij, de ene gezwind, de andere met een klein hartje, de kazerne binnen met in de hand onze oproepingsbrief. Een hele tijd voordien hadden we reeds een kaart "model Y bis-Werving. 161 der onderrichting" ontvangen die niet alleen het Regiment vermeldde maar tevens het Bataljon en de Kie waarvan we deel zouden uitmaken. Anders uitgedrukt, een ietwat vroege kennismaking met onze nieuwe familie.

De eerste kennismaking met de jongens waarmee we zeventien maanden zouden moeten samenleven, had plaats op de kamer. Normaliter telde een kamer twaalf bedden, maar wegens het feit dat de vorige klas nog onder de wapens was, betekende ons binnenkomen een verdubbeling van de effectieven. De kamer van de 14de Kie bevond zich in de uiterst linker vleugel, helemaal bovenaan op de hoogste verdieping en boven de troepenkeukens. Deze waren uiteraard op de benedenverdieping. De kamer, of beter gezegd, onze zolder, was enorm van afmetingen zodat de hele Kie er kon worden ondergebracht.

De bedden waren reeds toegekend en met ons naamplaatje erop. Ook ons eetgerei lag al klaar op ons bed. En niet alleen dat; insgelijks een blauwe zak; van formaat, eigen aan het 13elgisch leger. Deze zak zat volgepropt met kledingstukken en uniformonderdelen. Sommigen konden hun nieuwsgierigheid niet de baas en de fameuze blauwe zak moest zijn geheimen prijsgeven. Men stelde zich de vraag : "Maar hoe is het mogelijk dat het Leger kennis heeft van onze maten en ons zomaar een soldatenpak, tweedehands weliswaar, kan aansmeren ?". Alras hadden we de zaak door want meer dan een had een politiemuts uit de zak gehaald en opgezet. Men zag er de gekste dingen. Bij de ene viel de politiemuts hem tot over de oren terwijl een andere er een veel te kleine had. Zo ook was het gesteld met het overige.

Om 12 uur moest iedereen aanwezig zijn in de kazerne. Telaatkomers zouden wel eens kunnen ervaren wat het woordje "tucht" betekende. Wanneer iedereen daar was stelde korporaal GOOSSENS zich voor en maakte ons meteen diets dat we aan de voet van ons bed moesten plaatsnemen wanneer er geroepen werd "Aan bed !" Dit zou altijd moeten gebeuren wanneer een onder-officier de kamer betrad. Deze maal zou het de lste sergeant zijn. Hij was zeker ook benieuwd te zien welk vlees er nu in de kompagniekuip was terechtgekomen. En inderdaad, de korporaal (de Fille) ging bij de deur staan, die ging open en in de deuropening verscheen de Eerste Piet, herkenbaar aan zijn twee zilveren strepen op de mouw. Hij was vergezeld van een paar sergeanten. Gans dat boeltje was dus van tevoren zo uitgestippeld. Uit volle borst schreeuw- de de korporaal : "Aan bed". G'had ons moeten zien uiteen stuiven, ieder naar zijn eigen bed. Enkelen gingen reeds uit eigen initiatief in een soort militaire houding staan, alhoewel ons dat niet gezegd was. De Eerste-sergeant zegde onmiddellijk : "In 't vervolg zal dat een beetje vlugger moeten gebeuren". Dan pas heette hij ons welkom bij de 14de Kie. De sergeant kreeg dan het woord om ons te vertellen dat we straks zouden gaan eten; dat ie- dereen zijn eetgerei, t.t.z. mes, lepel en vork moest meenemen, het gerei van het leger wel te verstaan want eigen eetgerei zoals zilveren lepel en vork van huis meebebracht was uit den boze. Iedereen gelijk voor de wet.

Er werd ons op het hart gedrukt zeer ordentelijk naar beneden te lopen en dan, onder de leiding van de korporaal, op twee rijen en netjes achter mekaar naar de refter van de 14de Kie. Elke Kie had zijn eigen refter. Alles : eten, slapen en wat weet ik nog meer, gebeurt in de Kie d.w.z. in eigen familie. We moesten even wachten want de refter was nog bezet door de mannen van de klas 38, die vanaf die dag de titel van "Ancien" mochten dragen. Deze anciens kwamen dan naar buiten, de ene voor, de andere na, dus niet zo ordentelijk als wij waren aangekomen. Sommigen onder hen maakten wel eens een opmerking zoals "Eet maar lekker hoor want morgen is het feest voorbij". We hadden ook nogal bekijks vanwege de anciens. Zij wilden op hun beurt nagaan hoe hun opvolgers er zoal uitzagen. Schijnbaar viel dat nog mee want wij hoorden geen grove uitlatingen of zo. Samen met die jongens zouden wij nog + vijf maanden moeten doorbrengen in dezelfde kazerne.

Het menu was buitengewoon en we kregen zelfs een taartje als nagerecht. Ja in zekere zin was het toch een welkom-menu en dan begrepen we dadelijk wat zij hadden bedoeld met "eet maar lekker vandaag". 's Anderdaags hebben we begrepen dat het niet elke dag feest kon zijn.

Alvorens de namiddagdienst aan te vatten, hadden we nog de gelegenheid verder kennis te maken met de medebroeders van de confrerie die men de 14de Kie noemde. Wij liepen toen nog met zijn allen in ons burgerpak. Op de kamer lieten enkelen zich al kennen als geestigaards want bij het verder neuzen in de blauwe zak had er een, een soldatenhemd te voorschijn gehaald en hield dat voor zich uit. Jezus, Maria, lieve hemel, wat was dat voor een koddig ding ? en van welk formaat. Zulke lang hangende slippen en dan het toppunt : het moest achteraan dichtgeknoopt worden. Sommigen dachten dat het een nachthemd was en het kon er best voor doorgaan. Maar... het was wel degelijk een soldatenhemd.

s Namiddags kregen we het bezoek van de sergeant-foerier. Die kwam ons aan 't verstand brengen hoe we uiteindelijk een uniform zouden bijeen krijgen die min of meer paste bij onze postuur. En dan gebeurde een omwisseling van jewelste. Buiten het ondergoed waren alle kledingstukken tweedehands. Zo ook de schoenen. Dit was echter maar ons exercitie-kostuum, allé... ons werkkostuum. Maar kom, alles bij mekaar en met een grote dosis vindingrijkheid van onzentwege zagen w'er ten langen .laatste aanvaardbaar uit voor wat het uiterlijk betrof. De sergeant-foerier bekeek eens de zaak vanuit zijn standpunt en vond dat het goed was zodat hij meteen wegging.

Onmiddellijk nadien werd er theorie verstrekt door korporaal Goossens bijgestaan door korporaal Bodden. Die wisten ons te vertellen hoe we nu precies ons bed moesten opmaken voor de inspectie. In 't bijzonder ging het over hoe lakens en dekens plooien ? zodat ze precies de breedte hadden van de matras. En dan maar oefenen jongens tot wanneer we het plooien onder de knie hadden. We werden ook op de hoogte gebracht over de dagindeling van het hotel "Klein Kasteeltje" : opstaan om 6 uur met appèl aan bed, daarna naar de wasplaats, ons aankleden voor het morgeneten, de kamer schoonmaken met water en zeep, het onderzoek van de dokter voor diegenen die dat nodig achtten enz. enz... We staken nu allemaal in ons soldatenplunje, en echt hoor, we voelden ons anders. Het was precies of wij ineens andere mensen waren geworden. Wat wel een groot voordeel was en is, is dat er geen verschil meer te merken valt in kleding volgens de afkomst. Geen onderscheid meer tussen rijk, minder rijk en arm en dat is mijn inziens een groot voordeel voor de goede verstandhouding en het samen-leven in de Kie. Zo plotseling voelden we ons als leden van een en dezelfde familie die de naam droeg... de 14de Kie. Al dat gedoe heeft de hele namiddag in beslag genomen.

Rond 18 uur moesten we ons klaar maken voor het "Souper". Nu gingen we echter als soldaten en we hadden weer bekijks vanwege de anciens. Die bekeken ons van kop tot teen precies of dat we door hen moesten worden gekeurd. Met dat avondmaal was de eerste dag van ons soldatenleven achter de rug. Al bij al was de dag goed geweest. Er was niet gebruld vanwege de oversten en dat was toch een goed teken.

s Avonds was er natuurlijk geen sprake van een wandelingetje te maken buiten de kazerne. Daarbij, we zouden er ook de tijd niet voor gehad hebben want wij hadden de handen vol met nog verder uniform-onderdelen om te wisselen, knopen wat vaster aannaaien, het bed opmaken voor de nacht en nog zovele zaken meer.

Over het uitzicht van onze kamer en het meubilair kunnen we het kort maken, ijzeren bedden die men desnoods op elkaar kon plaatsen, een "casette" ofte klein hangkastje waarin we onze persoonlijke zaken konden opbergen, voor dat kastje hadden we zelf een hangslot moeten meebrengen; het slot- werd niet geleverd door de ABL; enkele struise tafels en dito banken en als laatste onderdeel, de geweerrekken maar voorlopig nog zonder geweren erin. Je kon nooit weten of er ongelukken zouden kunnen komen.

De daarop volgende dagen werden besteed aan theorielessen tot we wisten wie dat WIE was en hoe we ze konden herkennen, 't zij aan de strepen,rode en zilveren, 't zij aan de sterren zilver en goud en voor de heel hoge pieten kwam daar nog een staafje bij. Het werd ons ingepompt tot we van A tot Z wisten hoe de vork aan de steel zat. Ook de aanspreektitels moest je kennen voordat je voor de eerste maal naar huis mocht. Dat groeten was alles bij mekaar toch een ietwat gekke zaak. We gaan er natuurlijk mee akkoord dat men een overste moest groeten b.v.b. 's morgens wanneer je hem voor het eerst zag of ook nog op een ander moment maar driemaal op een tijdspanne van 10 minuten dezelfde persoon groeten omdat je hem toevallig kruiste dat vonden we teveel van het goede. Sommige gestreepten waren daarmee fantastisch gediend, zo aan hun uiterlijk te zien. Persoonlijk vond ik dat zinloos, want ten langen laatste begonnen sommigen al een ommetje te maken. Enfin dat is nu eenmaal het Belgisch leger. Vanzelfsprekend is het de normaalste zaak van de wereld dat je je oversten groet omdat de wellevendheid dit vereist, en daar hoeft tucht niet bij betrokken te worden. Groet je overste b.v. 's morgens wanneer je hem voor het eerst ziet maar zeker niet aan de lopende band. Dit heeft met tucht niks te maken maar met beleefdheid. Maar kom, dat groeten werd al te gek.

Tijdens die eerste dagen van ons verblijf in 't Klein Kasteeltje werden we ook ingeënt tegen alle mogelijke ziekten en kwalen. Alles moet met een zekere dosis filosofie genomen worden. Zo ook dat prikken door de dokter of iets dat er voor doorging, daar waren we in 't algemeen zeker niet op verzot, maar wanneer je dan wist dat er 24 uur vrij van dienst aanhingen dan had dat nog in zekere zin zijn goede kant. Sommigen dachten dat het een soort stijfsel was dat men ons had ingespoten want rug en rechterschouder waren heel stijf geworden. Misschien kwam het doordat ze teveel bewegingen hadden verricht.

Er werd ons ook aan 't verstand gebracht, hoe een militaire houding aan te nemen zowel bij het stilstaan als bij het lopen : borst vooruit, hoofd rechtop, kin ingetrokken en je handen op de naad van de broek of armen op en neer naargelang je stilstond of liep. Je mocht er in geen enkel geval uitzien als een ineengezakte bloemzak. Nu dat is ook geen zicht. We wisten nu zelfs wat we moesten aanvangen met ons "LIEF" wanneer we een overste tegenkwamen. Je lief, - als je er een had en het was niet noodzakelijk er een te zoeken, - mocht in geen enkel geval aan je rechterarm hangen want die moest steeds vrij blijven om de militaire groet te brengen wanneer vereist. Er viel daarmee niet te lachen en zeker niet wanneer je nog zelf in een garnizoenstad woonde zodat je veel meer kans liep oversten tegen het lijf te lopen. Er valt ook niet te vergeten dat we, zolang we onder de wapens waren, verplicht waren de militaire kledij te dragen, ook tijdens een verlof of vergunning. Uitzonderingen werden zelden gemaakt en dan moest het uitdrukkelijk vermeld staan op je. verlofbrief.

Enkele dagen na ons binnen komen kwam de sergeant-foerier opdagen met de uitgangskledij. Nu begon het serieus te worden want uitgangskledij betekende uitgaan, naar buiten toe, ja zelfs naar huis gaan. Wie nu gedacht had dat hierbij een kleermaker zou bij betrokken worden, sloeg de bal lelijk mis. Niks van. De foerier, bijgestaan door nog een sergeant en een paar korporaals, dat waren de specialisten in 't vak. Kostumen op maat ? Wat een stomme vraag; alles was kant en klaar en het was alleen maar de man die moest gevonden worden die bij het kostuum paste en niet andersom. Waren we niet bij 't leger soms ? Er werd daar nogal een beetje aangetrokken en weer uitgedaan en weer opnieuw en nogmaals tot wanneer we ongeveer gevonden hadden wat ons het best paste. Was het een beetje langs de nauwe of smalle kant, dan hoorde je zeggen : "Komt in orde, er zullen wel een paar kilootjes afvallen na wat exercitie". Was het integendeel nogal wat ruim, kwestie van omvang, dan zegde men : "Komt in orde, bij de troep krijg je goed te eten en dan zal dat precies passen". Naar onze mening werd niet eens gevraagd. Was ook niet nodig... zij hadden toch altijd een antwoord klaar. Dat passen, keuren en nakijken had de ganse namiddag in beslag genomen. Alles bij mekaar is dat nog vlug gegaan; 'k Zie dat nog niet gebeuren in het burgerleven. Zowat zeventig man een kostuum aanpassen in een namiddag. De politiemuts - waarom noemde men dat hoofddeksel een politiemuts ? Geen enkel agent droerg zo'n ding dat helemaal niet hoorde bij het politieuniform - maar kom, de politiemuts dus, paste nog het best. Alleen de omtrek van je hoofd was van tel en daarmee was de kous af. Je moest al een uitzonderlijk groot hoofd hebben om geen politiemuts te vinden die paste. Wat niemand ooit had verwacht, is gebeurd; het kwam allemaal dik in orde en ieder had zijn uitgangstenue. Onder ons gezegd en op een ander gezwegen, w'hadden daar nog een massa werk aan om al die koperen leeuweknopen blinkend te krijgen.

Wij hebben ons niet eenmaal afgevraagd hoe het in de andere kompagnies verliep. Trokken ons daar geen snars van aan, en daarbij wij hadden al genoeg aan onszelf. Wij waren van de 14de Kie en daarmee basta. De 14de is nu eenmaal de 14de ofte Kie 4/7. Later zou Kommandant LAMOT, onze kompagniekommandant in zijn eerste en enige toespraak ooit tot ons gehouden, ons in dezelfde termen op het hart drukken wat volgt : "De 14de Kie is een speciale Kie in 't regiment, zo is er maar één. Wees steeds fier deel uit te maken van de 14de Kie en vergeet het nooit". We hebben dat nooit vergeten.

Misschien klinkt dat een beetje chauvinistisch maar wij waren uitermate fier op onze kompagnie. Nu zo waren er nog wel twee andere Kies in het IVde bataljon die, in 't regiment, ook enig in hun soort waren. Dit waren de 13de en de 15de Kie. Het was nu eenmaal het bataljon van de zware wapens, hetgeen nog niet wil zeggen dat we noodzakelijk zware jongens waren.

Wanneer we met dat alles kant en klaar waren, werden we na een paar dagen voorgesteld aan de kompagnie-kommandant. Die schouwde onze Kie en keurde ons van kop tot teen om te zien en te weten of zijn mannen er keurig uitzagen.

Inmiddels hadden we ook al het allerbelangrijkste te horen gekregen, althans volgens de overheden; het voorlezen van de militaire wetten. Eens die voorgelezen, werden we verondersteld volwaardige soldaten te zijn. Wat ons het meeste is bijgebleven van al dat proza, was de passage waar er sprake was van "de dood met de kogel". Wij zagen ons al voor het vuurpeleton staan. Maar kom dat was allemaal nog zo slecht niet bedoeld, want bij ons weten werd er niemand van ons doodgeschoten met de kogel en hierbij werd dan bedoeld, gefusilleerd worden. Neen, zo erg was het nu ook weer niet. Je moest alles met een korreltje zout nemen, en dan bijzonder bij het leger, waar men van een vliegesch... een donderslag kon maken. Althans sommigen van de gradés.

De dagen vlogen voorbij en wij waren altijd druk doende met alles en nog wat. Theorie, exercitie op de koer en al wat een soldaat moet weten om zich voort te bewegen. Zo waren we aan de l4de april gekomen, en precies die dag werd de groepsfoto gemaakt. Wat vinden jullie van de familiefoto ? Klinkt heel wat sympathieker hé, hé ! Natuurlijk staken we nu in uitgangstenue. Het werd nog een hele karwei aleer we allen stonden waar we staan moesten. De foto bleek wel geslaagd te zijn en we konden er ons een aanschaffen naargelang onze financiële middelen. Met onze soldij van 30 ct per dag en een beetje zakgeld van thuis was het toch mogelijk er zich een aan te schaffen, verschillend van grootte en van prijs. De familiefoto was de foto waar we heel wat naar gekeken hebben en zelfs tot op de dag van vandaag.•

Eenmaal dat we wisten wat aanvangen met armen en benen bij de evoluties van de infanterist, was het de beurt om met wapens om te springen. We moesten ons tevreden stellen met een karabijn met lange bajonet als wapen. Wat we met dat spul afgezien hebben is aan geen mens te vertellen. Je moet het zelf hebben meegemaakt. Schouder op, schouder af. En dan van de ene schouder op de andere en altijd heel krachtig zodat sommigen met een blauwe schouder liepen tegen dat het avond was.De houding "Schoudert geweer", dat was toch iets heel eigenaardig en onnatuurlijk. Stel je voor, wanneer het geweer tegen de schouder leunde, moest je met een "gebroken" pols de kolf in de handpalm laten rusten ter- wijl je de punt van de kolf tussen wijs- en middenvinger moest houden. Wanneer je per ongeluk, bij die manipulaties, de "schietstok" tegen de grond liet vallen, dan was het precies ofdat de wereld ging vergaan. Mens toch, wat konden ze daar lelijk om doen. Stel je voor : een soldaat die zijn wapen verliest, dat was het laatste van het laatste.

Vrijwel dagelijks gingen we op stap en trokken dan naar Scheutveld of naar 't Karreveld waar toen nog braakliggende gronden lagen, en waar we evoluties te voet aanleerden. Dit laatste gebeurde eerder op en in de omgeving van 't Karreveld nabij de basiliek van Koekelberg, terwijl Scheutveld meer aangewezen was voor het evolueren met het kanon en het delven van persoonlijke eenmanskuilen en loopgrachten met ons infanterieschopje. Wat hebben we dat kanon toch heen en weer gesleurd met de trekriemen aan. En zeggen dat er daarvoor tractors bestonden. Zo geraakten we vertrouwd met dat kanon.

Af en toe werden we bij gelegenheid opgewacht door de muziekkapel van het regiment. Dan trokken we met grote zwier en met muziek op kop naar de kazerne toe en dat onder het spelen van de regimentsmars "'t Is geen acht... 't is geen tien, 't is een negen ik heb het gezien". Dit gebeurde meestal samen met de andere kompagnies van het bataljon. De drie kompagnies van het IVde bataljon kwamen samen op een punt niet al te ver van de kazerne, en daar verscheen de bataljonskommandant te paard. Dat alles had niks te maken met feestelijkheden maar om te leren marcheren op de tonen en het tempo van de muziek. 't Was wel aangenaam, en we hadden veel bekijks want overal waar we langs kwamen viel het werk stil.

Als we dat "jongleren" met het wapen onder de knie hadden, werden we onderricht in het mikken en richten_ Was me dat een gedoe daar beneden in de gangen van de 14de Kie. Daar kwam ook de lste Piet bij te pas, want hanteren is van het grootste belang. Het is ook een reden van bestaan van het leger.

Eénmaal, ja, ja, je leest wel, uitgerekend éénmaal zijn we naar de schietstand geweest en daar hebben we voor het eerst en voor het laatst met scherp geschoten. Iedeieen vijf kogels en je moest zien dat je nadien de vijf lege hulzen meehad, want anders zou het leger kunnen failliet gaan; het was immers al koper.

Nadien ging iedereen op in hetgeen zijn specialiteit zou worden. Zo, de manschappen bij de kanonnen maakten zich vertrouwd met die tuigen, bijzonder het leren richten op beweegbare doelen; de chauffeurs kregen onderricht in het besturen van de rupswagens; de T.S'sen volgden de lessen van radio en seinen en de klaroenen musiceerden om al de "sonneries" en de infanteriemarchen aan te leren. Zo had ieder zijn speciale bezigheid. Geen sprake van ons te vervelen.

In juli trokken we naar het kamp van ELSENBORN, op een boogscheut van de Duitse grens. Daar gingen we onze theorie in het hanteren van de kanonnen omzetten in de praktijk. Zo moesten we in de kortst mogelijke tijd het geschut in batterij kunnen brengen en richten op mobiele doelen. Daar hebben we dan ook voor het eerst met scherp geschoten : zes granaten op een vast doel en zes granaten op bewegende doelen. We waren daar samen met de Kies 4/7 van de twee andere regimenten die deel uitmaakten van dezelfde divisie nl. het lste Grenadiers en het lste Karabiniers. De 4/7's van het 9de Linie hebben er het meer dan behoorlijk van afgebracht. Wij beschouwden het als een soort wedstrijd tussen de verschillende regimenten. Nadien hebben we de gelukwensen mogen ontvangen vanwege onze kompagnie-kommandant.

Veld- en rijdende artillerie kwamen insgelijks hun schietoefeningen houden in ELSENBORN. Zo zagen we alle soorten artillerie voorbij trekken. Zekere dag kwam zo een kolonne zeer zwaar geschut aangereden en wij moesten bezijden de weg staan om ze door te laten. Die mannen lachten ons effenaf uit met de bewoordingen : "Is Sinterklaas gekomen, en heeft hij jullie, als speelgoed, een kanonneke meegebracht ?". Wij waren nu precies de mannen niet die met zich lieten sollen en repliceerden gevat. Deze repliek laten we voor wat ze is, want ze was nogal aan de gepeperde kant.

Na onze kampperiode zijn we terug naar Brussel gereden met de trein. Ook tractors en kanonnen werden meegevoerd met de trein. Tot in SCHAARBEEK ging de reis, nadien trokken we te voet op naar de kazerne. In de omgeving van het Beursgebouw in Brussel stond de muziekkapel op ons te wachten en langs de Katelijnestraat en de Vlaamsesteenweg ging het naar het Klein Kasteeltje. We werden door een uitbundige bevolking verwelkomt, precies of we de wereld hadden veroverd.

Over het eten bij de(n) troep valt er geen hoofdstuk te schrijven en daarover zijn we dus heel vlug uitgepraat. 's Morgens brood en koffie, met of zonder melk. De koffie was in feite een warme drank die wel de naam droeg maar er hoegenaamd niet naar smaakte. Zelfs in geen honderd uren niet. Naar men beweerde werd daar een zeker behoedmiddel in verwerkt zodat we niet als kemphanen rondliepen. Smeersel bij het brood bestond doodeenvoudig niet. Iedereen bracht dit mee van huis, 't zij boter, margarine of smout ieder naar gelang zijn smaak of volgens de gewoonten thuis. Wel stond er steeds op tafel, een grote doos appelstroop. wie eet nu in Godsnaam elke dag stroop ? Er was een voorraad voor elke dag gedurende zeventien maanden.

's Middags kon het er nogal door : soep, aardappelen en meestal vleesballen. Dit laatste was het zuinigste, het best verdeelbaar, en men kon daar iedere dag een ander smaakske aan geven naargelang wat erin werd gedraaid. Nu dat kon er nog door zoals we reeds zegden. Maar 's avonds was dat een echte klucht. Het avondeten was bijna elke dag hetzelfde. Het werd door de soldaten "rabat de col" genaamd. Vraag me niet wat het betekent, ik zou het met de beste wil van de wereld niet kunnen vertellen. We hebben nooit precies geweten uit welke ingrediënten die brij bestond. Naar het schijnt was het een mengsel van aardappelen, groenten zoals erwten en wortelen en vlees uit blik. In een vermaard restaurant zou deze schotel voorzeker een hoogstaan-de benaming gekregen hebben. Wij noemden het in deftige taal "Militaire hutsepot, specialiteit van de chef". Om het op smaak te brengen deden de meesten daar een serieuze klak mosterd bij.De meesten van diegenen die in Brussel of omgeving woonachtig waren, gingen 's avonds naar huis eten. Anderen die het financieel aankonden trokken naar een frituur. Van deze zaken waren er verscheidene in de omgeving van de kazerne. De vrijdag kregen we bijna altijd rijstpap en d'er werden zeker eieren in verwerk want op een dag had ik een half uitgebroed kuiken in mijn bord. Diezelfde avond mochten we niet buiten want we waren van piket met de kompagnie.

Vijf maanden waren voorbij gegaan en we hadden al heel wat ervaring opgedaan. In augustus 1939 zwaaide de klas 38 af, hetgeen betekende dat we weldra zouden verhuizen naar de eigen kamers van de 14de Kie op de benedenverdieping. Het heeft allemaal niet mogen zijn want amper een week later werd de mobilisatie afgekondigd en weldra zagen we de klas 38 terug aan de poort van 't Klein Kasteeltje staan. Het "weg van de troep" en de "vrijheid" waren maar van korte duur geweest. Maar alles bij mekaar genomen hadden ze toch genoten van het afzwaaien wat de klas 39 nooit zou ervaren.

Einde september, begin oktober was het de grote trek naar het oosten; je weet wel vanwaar de wijzen komen of kwamen. Wij trokken namelijk naar Eigenbilzen in het putje van Limburg. Nog nooit van gehoord, we wisten niet eens dat het bestond maar het bestond en we zijn daar aangekomen. De eerste nacht hebben we doorgebracht onder de blote hemel met ons tentzeil onder ons. Het was niet warm zo op de, ook blote, grond. 's Anderdaags naar het dorp toe. De eerste handicap die we daar ondervonden was de taal. Mensen toch ! wat een taaltje ! Wat een verschil met het Vlaams uit Brabant, of uit Oost-Vlaanderen en nog meer verschillend van de Westvlaamse dialecten. De mensen aldaar waren gewend Limburgs te horen spreken want vooraleer wij daar aankwamen was het llde Linie daar te gast geweest. Een regiment uit Hasselt, vrijwel volledig bestaande uit Limburgers. Wij werden zowat bekeken als vreemdelingen die een taaltje spraken waarvan de mensen van daar bijna geen jota van verstonden. Hetzelfde gold voor ons. 't Was daar van "mich" en van "oech" waarmee ze bedoelden "mij" en "U". 't Was dus wennen geblazen. De eerste zondag dat we daar doorbrachten werd tijdens de H. Mis een preek afgestoken over het verderf van de jongeren en daarmee bedoelde de pastoor in bedekte termen dat de mensen met dochters in huis, uit hun ogen moesten kijken, want met dat regiment uit' Brussel, je kon nooit .... ! Hij sprak Nederlands maar met een uitgesproken zangerige Limburgse tongval maar wij verstonden het en dat was het bijzonderste.. Had hij het aangedurfd, hij had zijn parochianen op het hart gedrukt dat het 9de Linie de duivel in hoogst eigen persoon was.

Inmiddels was Adjudant K.R.O. HOSCHET onze nieuwe pelotonoverste geworden. In Eigenbilzen, aan 't Albertkanaal - wij zagen het voor het eerst - was het niet altijd om te lachen. Onze dagelijkse bezigheid bestond erin, langsheen het kanaal, stellingen voor 't kanon en ook schutterskuilen te graven. Na een zekere tijd mochten we alles dichtwerpen en andere delven op een andere plek die niet beter of niet slechter was dan de vorige. Het was een kwestie van ons bezig te houden zodat we ons niet zouden vervelen. Dan kwam daarbij wacht kloppen aan de lopende band : 24 u. van wacht aan 't kanon en 24 u. rust en piket in 't kantonnement. De winter was vroeg begonnen en het kon verdraaid ijselijk koud zijn 's nachts op die hoge berm van dat Albertkanaal. Toen werd ons door het leger vuurpotten gegeven om cokes in te branden. Zo konden we ons verwarmen, of anders gezegd zo zouden we niet bevriezen. Af en toe, doch meer dan wenselijk waren er alarmoefeningen waarbij we telkens de boel moesten opruimen in het kantonnement en met pak en zak en al wat daarbij behoorde naar de stelling trekken. In de maand januari hebben we wel een paar "alertes" gehad die niet bedoeld waren als oefening. Zo hebben we nadien vernomen. De winter 39-40 was Siberisch koud. Wanneer je je daarboven, aan het Albertkanaal, op de bermen of wanden zoals je het noemen wil, bevond, kon het er ijselijk koud zijn. De wind waaide er in al zijn gedoe en sneeuwstormen hebben we meer dan eens meegemaakt. In al dat weer kregen we dan nog gemeende alertes ofwel alarmoefeningen. Aldaar lagen we ook ingekwartierd bij de burgers, ieder stuk afszondèrlijk zodat wij in zekere zin wat gingen vervreemden van mekaar uit oogpunt van de kompagnie gezien. Het was nu eenmaal zo dat de 14de Kie geen compacte Kie vormde en zeker niet in oorlogstijd of tijdens de mobilisatie. Zo. leerden we als het ware per stuk te leven

Tegen deze noordpoolse winter waren we niet bestand met alleen onze militaire kledij. Van huis uit kregen we wollen bivak-mutsen, sjaals, wanten of wollen handschoenen, die moeders, echtgenotes of zusters hadden gebreidvoor hun soldaat te velde. Velen hadden zich houten klompen aangeschaft. Die hielden de voeten ten minste droog en warm, wat niet waar was met het doorweekte schoeisel van 't leger. De overheid heeft daar nooit een opmerking over gemaakt.

De uitzonderlijk lange en harde winter, met de talloze alertes had ook zijn uitwerking op het moreel van de soldaat. Meer dan een liep misnoegd en al morrend rond omdat we al zo lang in de eerste lijn lagen, terwijl het geweten was, of was dat ook een fabeltje, dat een divisie twee maanden wacht verzekerde (dus in de eerste lijn), dan twee maanden in rust zou gaan om dan nadien twee maanden piket te doen waar dan zekere werken moesten uitgevoerd worden. Meestal was dat in het tweede echelon.

Half februari 40 zijn we te voet vertrokken uit Eigenbilzen om naar het kamp van Beverlo te gaan. Daar hebben we dan een schietperiode meegemaakt met het Kanon 4.7. Tot nog toe hadden we nog nooit met dat fameus persoonlijk wapen, de GP 9 mm. getraind of geschoten. Dat zou hier ook niet gebeuren. Theoretisch en praktisch hadden we wel geleerd hoe we het moesten uit mekaar halen en terug ineensteken. De enige bedoeling zal geweest zijn dat te weten om het te kunnen kuisen en onderhouden zonder ongelukken te veroorzaken. 't Zal wat moois worden als we 't eens moeten gebruiken.

In Beverlo hebben we dus met scherp geschoten, amper zes granaten, maar toch. Voor de manschappen betekende het de tweede maal dat we schoten met het kanon, terwijl het voor de sergeanten-stukoverste een eerste ervaring was.

De zin betreffende het niet oefenen met G.P. is onjuist. Inderdaad werden er in Eigenbilzen schietoefeningen met de individuële wapens georganiseerd onder leiding van ComMandant LAMOT en de peloton oversten er in een diepe zavelkuil moest geschoten worden met geweren en G.P. pistool.Het eerste peloton werd eerst opgeroepen , geen enkel schot ging af omdat zekere peloton oversten nagelaten haddende wapens te doen ontvetten en de slagpinnen de patronenniet konden percuteren. Het tweede peloton onderging hetzelfde lot, onder het gebrul van Commandant LAMOT ende onderofficieren. Ik had de gelegenheid de wapens te laten ontsmeren en het peloton schoot vele rozen waaruit de nauwkeurigheid van onze wapens werd bewezen. Het peloton werd door de Commandant daarvoor gelukgewenst

Zoals naar gewoonte werd het meest tijd besteed aan de gewone karweien en het onderhoud van de wapens

Vanuit Beverlo zijn we, na er een tiental dagen verbleven te hebben, vertrokken met de trein naar Waterloo maar dit wisten we niet van voordien. "Geheim, de muren hebben oren". Het was nu begin maart en we zouden hier zogezegd op rust komen. In feite lagen we op de tweede verdedigingslijn want amper 6 km. achter de K.W-lijn. In Waterloo werden we ondergebracht in een school.

Een echte uitgesproken rustperiode hebben we niet gekend. Het spreekwoord zegt "Rust, roest" en dat mocht men zeker niet wagen met aktieve regimenten of divisies. Het heeft ook maar amper één maand geduurd.

Einde maart vertrokken we te voet vanuit Waterloo langs Brussel om, naar Leuven, over Bekkevoort, om uiteindelijk in Tessenderlo te belanden waar we weer eens aan 't Albertkanaal lagen. Opnieuw in de eerste lijn.

Ondertussen had men lessen getrokken uit de Duitse inval in PolenKolonel S.B.M. BOUHA die professor van taktiek was geweest van Zijne Majesteit Koning Leopold III stelde aan de algemene staf voor "Lt. Generaal VAN OVERSTRAETEN" met zijn regiment

vervoerd per vrachtwagen neergezet te worden in het gehucht DE JACHT te HEVERLEE-LEUVEN" en van daaruit met de normale vervoermiddelen een aanvalstocht te wagen tegen een gedeelte van het cavaleriekorps dat LEUVEN moest verdedigen. Alzo zou in geval van wellukken van deze operatie bewezen zijn dat maatregelen moesten getroffen worden uit de poolse les. Onze onderneming gelukte totaal. Het 3e peloton forceerde nl. de ingang van LEUVEN langs de Parkpoort terwijl het met de andere krachten van het 9e linie te strijden had tegen elementen van het cavaleriekorps dat in fronten rug aanviel één onzer stukken opgesteld ter hoogte van het kruispunt van de Geldenaakse baan met de Abdijdreef schoot onder de brug van de ijzerenweg derwijze dat alle ruiten in de geburen in stukken vlogen. Op de achterzijde van onze zogezegde geparachuteerde vorming werden ook de gidsen afgeweerd onder toezicht van Zijne Majesteit de Koning, Generaal van OVERSTRAETEN, Kolonel BOUHA en Majoor van POTTELBERG de la POTTERIE.

Onze verkenners onder leiding van Luitenant LOOSEN slopen per moto en fiets de stad binnen en bemachtigde de telefooncentrale van de hoofdpost en de Sint-Maartenskazerne. Kolonel BOUHAhad dus gelijk gekregen en de Koning beloofde hem dat hetregiment bij gelegenheid van zijn vertrek naar TESSENDERLO voor het koninklijk paleis zou mogen defileren en door hem zou geschouwd worden.

Die trip ging dus over Brussel, alwaar we vóór het koninklijk paleis defileerden voor Z.M. Koning Leopold III en zijn militair gevolg.

Voor het koninklijk paleis defileerden wij alleen voor de verbroedering der oudstrijders van het 9e linie, zulks zoals het begin onzer mars onder een hevige sneewstorm. Op de Leuvensesteenweg die wij volgden richting LEUVEN liet onze Korpoverste warme drank , wijn en voedsel uitdelen . Wij kwamen in LEUVEN toe 's avonds gaf de muziekkapel van het9 linie een prachtig concert in het stadspark.Alvorens de stad te verlaten defileerden ze voor het martelaren monument en de gemeentelijke overheid. Onze Pelotonoverste werd toegelaten de groet van het ganse bataljon te bevelen.

Vanuit Brussel ging het naar Leuven toe alwaar er overnacht werd. De meesten waren ondergebracht in de Philips-fabrieken waar een groot tekort aan stro was. Enkele slimmeriken hadden op eigen houtje slaping gezocht en gevonden bij de burgerbevolking; zo o.a. Karel Mertens en "Tich" van Goidsenhoven. De volgende dag ging de wandeling verder naar Bekkevoort, een afstand van om en bij de 22 km. We werden voorbij gestoken door een slee van een wagen waarin niet alleen Mgr. de Rector van Leuven had plaats genomen maar insgelijks onze plantrekkers uit Leuven. En of je me nu gelooft of niet maarhet is de trouwe waarheid. Sommigen zweren erop. 's Anderdaags trokken we weer verder tot we uiteindelijk in Tessenderlo aankwamen + 20 km. Zo was de driehoek van de "lo's" gesloten. Beverlo, Waterloo, en nu Tessenderlo. Menigeen had blaren op de voeten en kroop op de tractor, maar ... dat was ten strengste verboden en algauw werden de overtreders er afgejaagd. Alleman nam deel aan de mars. Vooraan de kolonel te paard, gevolgd door de vier bataljons. Elk bataljon was voorafgegaan door zijn kommandant ook te paard. De officieren waren deze keer ook van de partij en te voet, uitgenomen de Kie-Kommandant die de weg aflegde per fiets. Achteraan kwam dan de bezemwagen die meer dan volzet was.

In Tessenderlo, een niet al te goed riekende gemeente wegens de vele industrie, werden we ondergebracht in stapelhuizen en leegstaande fabrieksgebouwen. Zeker geen aangename plaatsen. Waar waren onze sympatieke hooizolders en schuren ? Het was alléén goed omdat we een dak boven ons hadden en niet onder de blote hemel moesten slapen. Voor de rest kon die plaats ons gestolen worden. Maar kom, een mens moet zich aan de omstandigheden aanpassen en dan zeker een soldaat, temeer het dan nog mobilisatie was. Vergeten we dat niet !

Op 10 mei waren we daar op post, dag waarop Nazi-Duitsland ons vreedzaam landje binnenviel. Dat was nu voor de tweede maal in nog geen 26 jaar tijd. Wat hadden ze hier eigenlijk verloren ?

Het was dus oorlog en een nieuwe periode ving aan.

 

Samenstelling van het Belgisch Leger op 10 mei 1940.

 

Gedeeltelijke opgave :

België beschikte o.a. over 18 Infanteriedivisies waarvan zes uit aktieve eenheden bestonden, zes uit regimenten van eerste reserve en zes uit eenheden van tweede reserve.

Elke infanteriedivisie kreeg de steun van een regiment veldartillerie en een Geniebataljon.

Er waren ook nog twee Ard. Div. bestaande uit Ardeense Jagers (2 x 3 regimenten).

Daarenboven waren er nog twee Cavaleriedivisies, eveneens met steun van artillerie.

 

Ter inlichting :

België beschikte ook nog over Artillerie van Legerkorpsen (6 in 't geheel) en 6 Geniebataljons, twee lichte regimenten (Rijkswacht), twee Grenswielrijderseenheden en het Grenswielrijdersbataljon van Limburg, Vestingsartillerie, Speciale vestingseenheden (forten), twee regimenten Luchtafweergeschut, de Legertroepen, drie Luchtvaartregimenten, drie smaldelen van het Marinekorps, de troepen van het achtergebied.

Alles bij mekaar waren er zowat 600.000 man onder de wapens.

 

Wat ons aanbelangt :

Samen met het iste Grenadiers en het iste Karabiniers, maakten wij, het 9de Linie, deel uit van de 6de Infanteriedivisie (I.D.) (aktieve divisie) met als steun het 6de Regiment Veldartillerie en het 7de Geniebataljon. Deze divisie maakte op haar beurt deel uit van een Legerkorps (V).

Een regiment bestond uit vier bataljons (Bon). Een Bon bestond uit drie kompagnies (Kie) fuseliers en één Kie mitrailleurs.

Het IVde Bon echter, was het Bon Zware Wapens en bestond uit :
13de Kie : Zware. mitrailleusen.
14de Kie : Kanonnen 417 mm.
15de Kie : Mortieren 7/(5 mm.

Een Kie bevatte drie pelotons. Normaliter kwam elk peloton als versterking bij een Bon Fuseliers. Naargelang de behoeften konden er echter wijzigingen aangebracht worden.

Wat de 14de Kie betreft :

lste Pon bij het I Bon.
2de Pon bij het II Bon.
3de Pon bij het III Bon.

Nogmaals wordt er op gewezen dat dit alleen een schematische verdeling was die om de haverklap kon gewijzigd worden.

 

Bewapening :

Elke I.D. beschikte over 324 lichte mitrailleusen, 144 zware mitrailleusen, 36 mortieren 76 mm., 60 kanonnen van 47 mm. en 48 artilleriestukken. Delen we dat allemaal door drie dan bekomen we per regiment :

108 lichte mitrailleusen.
48 zware mitrailleusen.
12 mortieren 76 mm.
20 kanonnen 47 mm.

De fuseliers hadden een Mausergeweer 1935 alsook handgranaten. Sommige manschappen van het IVde Bon besbeschikten over een pistool GP 9 mm. de anderen alweer over een Mausergeweer.

 

9de Linie 14de Kie K 4/7

Kompagniekommandant : 0/1t Louis van OVEREEM

3de peloton

Pelotonoverste : Adjudant KRO Adolphe HOSCHET
Sectieoversten : sergeant T. GOOSSENS ( stuk 10 en 12 ) sergeant BUCHIN ( stuk 9 en 11 )

Stuk 9 – tractor 2912 – kanon 189
Stukoverste: Sgt Julius AUROUSSEAU
Richter : Maurice DEROUCK
Chauffeur: Arthur STEENBRUGGE
Manschappen: Vital GEERAERTS, Ramon VAN VLIET, Victor BISSCHOP, Alex CLAES, VERLEYE (k1.38

Stuk 10 - tractor 2913 – kanon 190
Stukoverster: Sgt Marcel BUTTIENS
Richter : Kpl Odi MENSEEREN
Chauffeur: Urbaan DE WANNEMAEKER
Manschappen: Pierre LUYCKVANZEEL, Staf MAROTEN, Jan VAN BELLINGEN, Jean DEBROYER, F OURRIE, Eligius HUYLEBROEK

Stuk 11 - tractor 2914 – kanon 191
Stukoverste: Sgt Karel SOETENS
Richter: Kpl Rik MEERT
Chauffeur : Seranen BONNET
Manschappen: Paul VAN SCHUYLENBERGH, Yvo VAN ACKOLEYEN, René VAN HOENAMR, Robert POURQUOI, Antoine STEURS

Stuk 12 - tractor 2915 – kanon 192
Stukoverste: Sgt Rik BASTIAENSEN
Richter: Kpl Achilles VAN HOUCKE
Chauffeur : André CLAIRHOUT
Manschappen: Pierre VAN DEUREN, Jean VAN BELLINGEN, Frans VANDERVAEREN, DELEEUW, Julien VANDERSMISSEN, Maurice VANDERLI NDE

Reserve-tractor : Nr 2916
Chauffeur : Raymond DELBEKE

 

 

De achttiendaagse veldtocht.

 

Sedert de eerste aprildagen bezette het 9de Linie de sektor bij de sluizen te Tessenderlo aan het Albertkanaal.

De stellingen die door ons zusterregiment, het 18de Linie, waren gemaakt, waren zeer degelijk zodat we ze met weinig bijwerken praktisch integraal konden gebruiken. Dat was het enige pluspunt dat we daar gevonden hebben.

Inderdaad, slecht gelogeerd in stapelhuizen, hangaars of leegstaande fabrieken, zag de toekomst er hier niet rooskleurig uit. We lagen toen in dat niet welriekend Tessenderlo op de vooravond van de invasie.

We waren opgesteld op de zuidelijke oever van 't kanaal met het Ilde en lilde bataljon (Bon) in het eerste echelon. Het 3de peloton van de Kie 4.7 was, zoals gewoontegetrouw toegevoegd aan het lilde Bon. We hadden daar al zeer onrustige dagen gekend doordat Duitsland, Denemarken en Noorwegen was binnengevallen, wat meerdere malen alertes had veroorzaakt.

Zo stonden de zaken op de vooravond van 10 mei 1940. Het was lente en we genoten van prachtig weer. Na die keiharde winter die we hadden doorgebracht aan datzelfde kanaal maar dan in Eigenbilzen, waren we de koning te rijk met zulk weertje. Het moreel bij ons peloton was uitstekend, niettegenstaande er wel eens gemord werd over het eten of over de slechte inkwartiering.

 

Vrijdag 10 mei 1940.

 

Er werd alarm geblazen; het was 2 u 30 in de morgen. Was het weer eens, en voor de zoveelste keer, een loos alarm ? Ditmaal scheen het echter anders te zijn dan voordien. We hoorden immers in de verte geruchten die we tot nu toe niet kenden. Geronk, doffe slagen.

Nog half slaperig trokken we onze kleren aan, en sergeant Goossens zat achter ons aan omdat het niet vlug genoeg ging naar zijn zin. Alles ingepakt, ransel klaar, ook de blauwe zak en we verzamelden beneden op de binnenplaats. Iedereen was paraat en stilaan begonnen we te beseffen dat er iets ongewoons omging. Neen, ditmaal was het geen oefening.

Omstreeks 4 uur verlieten we het kantonnement en begaven ons naar onze stelling te Klein-Vorst bij het kanaal. Inmiddels hingen er ontelbare vliegers boven onze hoofden. Nu zagen we dat het Duitse vliegtuigen waren, aan de zwarte kruisen terzijde van de romp en het hakenkruis op het staartstuk. Ons luchtafweergeschut was in aktie getreden en dat waren doffe knallen. Nu pas begonnen we te beseffen dat er iets ergs gaande was. Zou het waarachtig oorlog worden ? Dit zagen we zo op de vragende gezichten.

Op onze stelling begonnen we onmiddellijk het kanon in gereedheid te brengen en het ontruimen van het schietveld. Even na 4 uur hoorden we hevige donderslagen of iets dergelijks. Men vertelde ons dat het vliegveld van Schaffen gebombardeerd werd. Nu hoorden we heel duidelijk het verschil tussen het vuren van ons afweergeschut en het inslaan van bommen.

Om 9 uur werden w'er officieel van verwittigd dat het serieus was, dat Duitsland ons landje was binnengevallen en dat we zodoende in oorlog waren met dat land. Sommigen zullen op dat ogenblik gedacht hebben aan de vertellingen van vader of zo die de eerste wereldoorlog had meegemaakt. Onze blauwe zakken waren ondertussen op de voertuigen geladen. We zouden ze nooit meer terugzien en het was pas de eerste dag. Van burgers vernamen we dat er zowat overal valschermspringers waren neergekomerz, en nog veel andere geruchten. Heel de voormiddag heeft dat overvliegen aangehouden. Nog nooit hadden we zoveel vliegtuigen samen in de lucht gezien. Voortdurend was ons afweergeschut doende maar zonder merkbaar resultaat, want we zagen geen enkel vliegtuig naar beneden donderen. Inmiddels waren we naarstig bezig de stelling verder uit te bouwen en er werden munitievoorraden aangebracht.

Rond 17 uur werden we overvlogen door drie laagtrekkende vliegtuigen die meteen onze stellingen onder vuur namen. Wij werden danig gemitrailleerd, maar gelukkig werd niemand bij stuk 10, noch bij de andere stukken geraakt. Dit was dan onze eerste kennismaking met het oorlogsgeweld.

De zware mitrailleusen van de 13de Kie waren onmiddellijk in actie getreden. Manhaftig verdedigden de mitrailleurs onze stellingen. Eén der drie vliegtuigen werd neergehaald en kwam terecht bij het station van Tessenderlo. Voor die aanvaller was de oorlog waarschijnlijk voorbij. Wie hem precies heeft getroffen werd nooit achterhaald.

Intussen waren de kameraden-landbouwers, terug uit buitengewoon verlof. Zij vertelden over het bombardement op Diest en Schaffen. Tijdens de nacht trokken we natuurlijk de wacht op bij de stukken : 1/3 met wacht gedurende één uur, 2/3 met rust, en zo losten we elkaar af.

We hadden vernomen dat ook Nederland in de dans betrokken was. De Duitsers waren ook daar binnengevallen. Voordien hadden wij weinig of niets gehoord over de mobilisatie bij onze noorderburen. Wat zouden zij ervan terecht brengen ? Vanaf dat moment waren zij onze geallieerden. Dat was een zekere troost voor ons want we voelden ons niet meer zo alleen.

Aan Franse troepen dachten we doodeenvoudig niet wegens die eigenaardige oorlog daar ver aan de Frans-Duitse grens. Het was een lachertje geworden. Sedert september had Frankrijk de oorlog verklaard en nooit of zelden hadden we iets vernomen van krijgsverrichtingen. Ieder bleef op zijn stelling : de ene op zijn MaginaLlijn, de andere op zijn Siegfried-lijn. Veel wisten w'er niet van af maar wij waren ook maar ondergeschikten. De strategen zaten elders.

Vanzelfsprekend werd er bijna geen oog dichtgedaan tijdens die eerste oorlogsnacht; en wij waren reeds meer dan 24 uur op de been. Daarbij kwam nog dat er de hele nacht door ontploffingen werden gehoord, veroorzaakt door het uitwerken van de voorziene vernietigingen.

 

Zaterdag 11 mei 1940.

 

Vanaf 's morgens heel vroeg was men druk doende valschermspringers ofte parachutisten op te sporen en dan voornamelijk bij de C.P. van de 14de Kie. Sedert gisteren heeft men er de mond van vol; men ziet er echter nooit een opbrengen.

Aan het stuk 10 werden twee stevige schuilplaatsen gemaakt in de grond en met dikke boomstammen. Volgens sergeant Buttiens waren ze tamelijk comfortabel ingericht. Er werden ook plekken keren afgemaaid die anders het zicht voor de kijker van de korporaal-richter-'zouden hinderen. Het zal wel evenzo geweest zijn aan alle andere stukken van ons peloton. Wij hadden zo ongeveer allen dezelfde manier van werken en van ons te organiseren. Er werd wel heel veel over parachutisten gesproken maar met geen woord gerept over eten. Tot nu toe hadden we nog geen eten gezien of gekregen. We zouden dan ons plan moeten trekken. In de namiddag gingen twee man van stuk 10 op zoek naar iets eetbaars en kwamen niet met lege handen terug. Vijf hennen hadden ze "gevonden". Die beestjes waren ook de kluts kwijt met al dat geweld en lawaai en ze waren voorzeker gelukkig dat ze geadopteerd werden. Wat ze echter niet wisten, ja wat weet een hen, was dat hun einde zeer nabij was. Aan verloren hennen had niemand wat maar hongerige soldaten vonden het een prettig vooruitzicht. De hennen werden potklaar gemaakt in de "villa" van stuk 10, en we zouden.... ja, wat zouden we ?

Om 19 uur werden de bruggen te MEERHOUT en KWAADMECHELEN opgeblazen: Waren me dat knallen !

Onze pelotonoverste werd door een dronken fuselier met het geweer aangelegd zulks in de rug verwittigd door een andere fuselier,had hij geen andere reactie dan zich om te keren, zijn aanvaller strak te bekijken, deze aarzelde en werd onmiddellijk overvallen door andere fuseliers en in een varkenshok opgesloten om hem toe te laten zijn roes uit te slapen.

Enkele minuten nadien vernamen we met ontsteltenis dat we onze stellingen zouden moeten verlaten. Dat was voor ons, soldaten, onbegrijpelijk. Ten eerste hadden we ons afgesloofd om een stevige stelling uit te bouwen en sterk te staan wanneer de vijand zou komen opdagen. Ten tweede begrepen we er geen snars van waarom we de plaat moesten poetsen, dan wanneer we nog geen enkele vijand hadden gezien, zelfs geen parachutist waarop nog steeds tevergeefs jacht werd gemaakt. Het was nu eenmaal zo bij het leger dat men nooit om uitleg moest vragen. Gehoorzaam en uitvoeren dat was nu eenmaal het enige punt waar het om ging. Daar vonden we het heel erg. We waren in de overtuiging dat, wanneer er gevechten zouden komen, het daar zou zijn, aan 't Albertkanaal dat we de vijand zouden opwachten en hem van antwoord dienen. Wie zal het ooit begrijpen ? Zonder boe noch ba trokken we weg van dat kanaal waar we zoveel koude hadden geleden, maar waar we tevens heel wat zweet hadden gelaten om verdedigingswerken uit te voeren. We kenden het waarom niet, maar gehoorzaamden gewillig. Niettemin vonden we het jammer dat we reeds de tweede dag zulke stelling moesten opgeven, of beter gezegd achterlaten, gezien er geen enkel contact met de vijand geweest was.

Wij zouden naar WESTMEERBEEK trekken. Alles werd in gereedheid gebracht om te vertrekken. Bij gebrek aan vervoermiddelen werd alle bagage geweerd en opgeofferd. Ook onze blauwe zakken moesten eraan geloven wat betekende dat we nog alleen beschikten over hetgeen we aan kledingstukken aan het lijf hadden en wat zich in de ransel bevond. Al het overige waren we kwijt; en waarom ?

Alleen omdat de leider van het 3e echelon het goed vond met onze bagage eigen vrachtwagen met ammunitie door te vluchten tot BOULOGNE AAN ZEE onze 30 Km. telefoondraad was dus ook verloren alsook de grote schoppen die wij overal hadden opgeraapt waar anderen ze hadden achtergelaten.

Alleen omdat er geen vervoer was; en dat bij een actief regiment ! Het was hemeltergend. Het werd zelfs nog erger. De munitievoorraden die bij de stukken stonden moest opgeladen worden maar hier weer hetzelfde liedje. Geen of praktisch geen vervoer voorhanden. Een deel van onze granaten werd op een opgeëist voertuig geladen. De kommandant van de 14de Kie zag geen middel om alle munitie mee te nemen en vál armoede was hij verplicht 96 granaten tot ontploffen te brengen.... omdat er geen vervoer was. Waar waren nu de strategen ?

Het was reeds een stuk in de nacht wanneer we op weg gingen. Samen met achterblijvers van vreemde regimenten vormde het IVde Bon een kolonne van zowat 800 meter lang. Boven ons, lichtgevende vuurpijlen die lang in delucht bleven hangen., Het werd ook een janboel van opstoppingen op de wegen. Dat was in grote mate teweeg gebracht door legerartillerie die zich in onze kolonnes kwam mengen. Het werd een uitputtende mars over VEERLE, AVERBODE, BLAUBERG, HERSELT, WESTMEERBEEK.

Alles bij mekaar was dat nu precies niet gunstig om het moreel van de soldaat op peil te houden. En daarbij maar steeds dat gezeur over parachutisten. Nochtans bleef de geestesgesteldheid prima, zo in 't regiment en biezonder in ons peloton.

 

Zondag 12 mei.

 

Het was 5 uur in de morgen wanneer we aankwamen te HERSELT. We vormden er de achterhoede samen met het 9,1/9 en nog twee kanonnen 4/7 van een ander peloton, alsmede een peloton mortieren. Heel de morgen hielden we ons dus op in de bossen tussen HERSELT en WESTERLO. Rond 12 uur kregen we bevel om, samen met de 13de Kie, het ravitailleringspunt te bereiken. Dat bevond zich in de bossen tussen WESTMEERBEEK en WESTERLO.

Steeds werden we door vijandelijke vliegtuigen overvlogen maar tot ieders verbazing werden we niet aangevallen of beschoten. Er kwamen alsmaar meer vliegtuigen opdagen die gerust konden rondcirkelen want luchtafweergeschut was daar onbestaande. Naar men ons vertelde stond AARSCHOT in lichtelaaie.

Plotseling, omstreeks 16 uur, hevig lawaai op de weg : bereden artillerie kwam uit de richting WESTERLO aangereden in een snel tempo, dan ineens in draf en zelfs in galop raasden ze voorbij. Het was de IVde groep van de 6de art. die in paniek wegvluchtte omdat er zich Duitsers zouden bevinden in WESTERLO. Althans, zo riepen de artilleristen ons toe. De zogezegde vijanden waren in feite twee Engelse gevechtswagens.

Nadat het verkennerspeloton uit zijn vooruitgeschoven post was weergekeerd, stelde het zich op in de richting van Westerlo. Ons peloton ging stelling nemen aan het kruispunt van de baan Westmeerbeek-Westerlo en deze naar Herselt. Stuk 10 stond opgesteld nabij de brug over de grote Nete. Hierna volgt het verhaal van de korporaal-richter van dat stuk : "Ons stuk stond opgesteld, rechts van de weg die naar de brug leidde, links van de weg op dezelfde hoogte stond een Mi van de 13de in stelling. Er kwamen oneindig veel vluchtelingen van de overzijde. Zij waren zwaar beladen met al wat men zich kan indenken. Stel je voor : ze waren op de vlucht. Iemand van hen had zelfs een vogelkooi mee en een... regenscherm. Dat zicht zal ik niet gauw vergeten. We werden daar veelvuldig overvlogen door laagtrekkende vliegtuigen. Een voor ons vreemde Kapitein-Kommandant gaf ons bevel om met ons kanon op deze vliegtuigen te schieten. Wij keken nogal raar op. Dat was doodeenvoudig onmogelijk wegens de snelheid van de vliegtuigen en ook de hoogte, al vlogen zij nog zo laag. Fuseliers in onze omgeving alsook de Mitrailleurs van de 13de openden het vuur. Wij werden een paar keer gemitrailleerd maar er vielen geen slachtoffers. Niemand was geraakt, noch aan 't stuk, noch bij de 13de".

De paniekerige vlucht van de artilleristen was voorbij en de verkenners trokken verder op. De 13dé, samen met ons Pon kon nu verder trekken naar de plaats van ravitaillering waar niemand meer te vinden was. Tegen valavond belandden we, samen met de rest van het IVde Bon in een soort park ten noorden van de baan Westmeerbeek-Westerlo. Opnieuw moesten we ons plan trekken om aan eten te geraken. Bij het invallen van de nacht zette het regiment zich opnieuw in beweging. Het 11/9 versterkt door 6 kanonnen 4/7 vormde de achterhoede. Het werd weer een afmattende nachtmars alover BOOISCHOT en HEIST-OP-DEN-BERG. Daar zagen we Franse tanks en de manschappen zegden ons dat ze alles gingen regelen. Kort nadien was er geen Fransman meer te zien. Ze vertrokken naar een Nederlands legerkamp. De mars ging verder naar KONINGSHOOIKT. Alles bij mekaar weeral een mars van -I- 20 km, beladen met ransel en bewapening.

 

Maandag 13 mei.

 

Wat deze dag betreft zullen we ons tekstueel houden aan het door de bevelhebber van het IVde Bon in het Frans geschreven verslag.

5 uur. - Aankomst te KONINGSHOOIKT dat veelvuldig wordt overvlogen door vijandelijke vliegtuigen. De 13de en de 15de Kie worden op rust gezet in grote pachthoven langs de steenweg van Koningshooikt op Putte. De 14de Kie trekt de wacht op bij het kantonnement. Gelet op de uitermate grote vermoeidheid, wordt het aantal manschappen aan 't stuk, beperkt tot het minimum. Om 10u30 krijgen de soldaten, voor het eerst sedert het wegtrekken van het kanaal, een ravitaillering in levensmiddelen. Dit komt omdat het keuken-voertuig verdween, samen met de vervoerkolonne van het Regiment (we zouden ze nooit meer terugzien).

16 uur. - Een vliegtuig werpt een bom uit nabij de C.P/IV/9.

17 uur. - De bevelhebber van het IV/9 geeft zijn bevelen voor de bezetting van de K.W.-lijn en dat overeenkomstig de orders van de korpsoverste. De versterkingen zullen verdeeld worden als volgt :
I Bon (LISP) – 1 Pon 13de – 1 Pon 15de – 1 Pon 14de
II Bon (Lier) – 13de min 2 Pons – 1 Pon 14de
III Bon(Mol en Zuen) – 1 Pon 13de – 15de min 1 Pon – 1 Pon 14de
Staf/9 - de 14de min 3 Pons + Staf IV/9
19 uur. - De versterkingen vertrekken samen met de bataljons. Het spookbeeld van parachutisten blijft verder lopen. Mars van 5 km.

De sirenen loeien in LIER. De aldaar aanwezige troepen eisen van de aankomers het paswoord dat echter niemand kent bij het 9de Linie. De bevolking ziet overal spionnen, zotten lopen vrij rond en worden als spion naar de C.P. gebracht. Zelfs een stafofficier van de I.D. die op inspectie is, wordt voor een spion aangezien door de bevolking en wordt zelfs verwond. Bij het invallen van de nacht hoort men overal schieten." Tot daar de verwoording door Majoor van Pottelsberghe de la Potterie.

Maar ook sergeant Buttiens heeft een verslag opgemaakt over diezelfde dag. Hij vertelt letterlijk wat volgt :

Aankomst te Koningshooikt - Opstelling van het stuk (10) in de hof van Oma Suetens. Twee man van wacht, de rest rust.

17 uur. - Vertrek in gevechtslinie tot aan "t Lampeke". Orders van adjudant Hoschet aan de sectie van sergeant Goossens : "hier de baan af, de eerste baan links en de eerste baan rechts voorbijrijden; zo komt ge aan een groep huizen waar de 9de Kie ligt". Zoals opgedragen laten we alle soldaten van de andere kompagnies voorbijtrekken en; nadat er een hele tijd geen andere troepen volgden, vertrokken wij in achterhoede, beurtelings elk van de twee stukken K 4/7 in batterij stellend. Onderweg hadden ze v66r ons reeds, als versperring, prikkeldraad over de baan aangebracht. De aangeduide weg volgend ontmoeten wij geen 9de Kie maar wel Grenadiers. We vorderen tot DUFFEL. De bevelhebber van de Grenadiers tot dewelke de drie sergeanten zich wenden, verklaart niet te weten waar het 9de Linie zich bevindt. Dan maar naar het H.K/I.D. op het gemeentehuis. Daar vernemen we dat dit H.K verhuisd is naar LINT. Rond 23 uur vinden we het daar in een brouwerij. Sergeanten Goossens, Aurousseau en ik werden tussen gendarmen met de bajonet op 't geweer bij de generaal gebracht die ons zegt dat de C.P. van het regiment te LIER ligt. Om Ou30 ontmoeten we soldaat OCULA (TS) op wacht bij de C.P/14de. 0/Lt. Van Overeem wordt wakker gemaakt en deze zegt ons alleen "Ge zult morgenvroeg om 3u30 verder trekken - Ga slapen".

Ongeveer 7 uren waren de manschappen van deze twee stukken onder- weg; hadden een afstand van meer dan 15 km. afgelegd om zich dan te horen zeggen : "Ga slapen, we vertrekken morgen om 3u30" en het was nu reeds 1 uur in de morgen.

Het verhaal werd integraal overgenomen om aan te tonen dat het soms verkeerd kan gaan bij het geven en het uitvoeren van bevelen. En dat zeggen we heel braafjes.

 

Dinsdag 14 mei.

 

De stad LIER werd ontruimd door de bevolking. Gemeentebestuur en politie hadden als eersten het hazepad gekozen. Plunderaars, zowel burgers als militairen, drongen binnen de stad en gingen de leegstaande huizen binnen. Een verkennerspatrouille werd erop afgestuurd. Sgt. HUYGEBAERT (verkenner) knalde met zijn handmitrailleur een plunderaar (artillerist) neer en verwondde een tweede.

Kolonel BOUHA vergezeld van Sgt. HUYGEBAERT en zijn verkenners verjoeg de plunderaars met de krawats. Eén plunderaar richtte zijn geweer op de Kolonel BOUHA waarbij Sgt. HUYGEBAERT de plunderaar met de mitrailleur neerknalde. (HUYGEBAERT werd tijdens de oorlog door de Duitsers gefusillieerd.

Om 3u30 stond de sectie Goossens bij 0/Lt. Van Overeem. Deze staat ons verbaasd aan te kijken. "Op de steenweg naar Herentals zult ge de 9de Kie vinden" wist hij te vertellen. Iedereen, sergeant incluis, namen plaats op de tractor en "full speed" de baan op. Verschillende regimenten kwamen ons in wanorde voorbij en trokken richting Lier. Op enkele plaatsen moesten we voorzichtig rijden daar, naar men beweerde, de weg ondermijnd zou zijn. Te NIJLEN konden we niet verder; de bruggen waren opgeblazen. Dan maar weer terug naar LIER waar we de korpsoverste samen met de majoor IV/9 aantroffen. Zij stuurden ons de steenweg naar AARSCHOT op tot LIER Fort. Na een half uur tussen de verschillende kompagnies gezocht te hebben ontdekten we eindelijk de 9de Kie. Dit was op een zestal km. van het dorp KONINGSHOOIKT. De C.P/14de alsook de C.P/IV/9 bevonden zich nabij de C.P/9 te ITTERBEEK.

Rond de middag werden wijzigingen aangebracht in de opstelling van het korps. Het Ilde en 111/9 kwamen nabij het fort te liggen terwijl het 1/9 in het 2de echelon lag aan de boorden van de Nete-rivier. Inmiddels was Adjt. Hoschet komen opdagen. Ook hij was tijdens de nacht verloren gelopen en er was op hem geschoten geweest. Hij was echter niet geraakt.

In de namiddag werden stellingen gemaakt nevens die van de fuseliers en dat in het open aardappelveld. 's Avonds zouden twee man de wacht optrekken bij 't stuk, de anderen zouden kunnen rusten.

Van rusten tijdens de nacht is er niet veel in huis gekomen. Omtrend 23 uur kwam een vliegtuig twee "fusées" afwerpen boven onze stellingen. Hoogstwaarschijnlijk ingevolge zenuwachtigheid en met maar steeds de parachutisten in het achterhoofd brak langs alle kanten een paniekerig schieten uit dat steeds maar aangroeide. Bij stuk 10 bleven de mannen kalm; en maar naar dat vuurwerk kijken. Anderen mengden zich in die gevaarlijke schietpartij. Men liep gevaar op eigen volk te schieten. Over middernacht blies een klaroen "staakt het vuren". Stilaan verminderde de schietpartij in hevigheid om uiteindelijk te stoppen. We konden opnieuw aan slapen denken.

 

Woensdag 15 mei.

 

4 uur. Iedereen op de stelling die verder moest afgewerkt worden en er was zelfs sprake van een schuilplaats te bouwen.

8 uur. De bevelhebber IV/9 trok, samen met de kompagniekommandant van de 14de, op inspectietocht. Na die verkenning beslisten zij, met het akkoord van de korpsoverste, twee stukken 4.7 tegenaan de muur te brengen zodat ze naar de overkant van de muur konden schieten.

Om 9 uur moest stuk 10 stelling nemen, vlak tegen de ijzeren muur aan en moest de secundaire weg naar Lier in de gaten houden. De andere stukken kregen ook hun laatsen aangeduid en wij konden beginnen met de uitbouw van de stelling.Stuk 10 had een zeer lastige schietplaats; het zou slechts één maal op een pantserwagen kunnen vuren. Nadien zou het onmogelijk worden opnieuw te vuren en dat wegens de hindernis die de Ijzeren muur vormde.

Om 11 uur werden de hekkens van de versperring dicht gemaakt. Er werd gezegd dat de Duitsers in Koningshooikt waren. Om 16 uur werd gemeld dat men vóór de 9de en de 10de Kie, Duitse patrouilles had waargenomen. De bevelhebber van het 111/9 gaf bevel aan het Pon mortieren het vuur te openen op een gebouw waarin zich vijandelijke waarnemers en verkenners ophielden.

18 uur. De vijandelijke patrouilles die zich verspreid hadden onder het mortiervuur, kwamen opnieuw opzetten. Plotseling hoorden we hevig schieten, en dan een kanonschot van een stuk geschut van klein kaliber. Daarna opende een van onze 4.7 het vuur, en nadien hoorden we nogal sterk heen en weer schieten. Wat was er gebeurd ? Bij de 10de Kie had een kanon 37 mm het vuur geopend op het hekken van de Ijzeren muur. Op deze plaats bevond zich het stuk Bastiaensen (stuk 12). Het Duitse anti-tankkanon had 16 schoten kunnen afvuren. Het werd een treffen tussen de twee kanonnen. Verder laten we beter een der rechtstreekse betrokkenen, als getuige, aan het woord. Pierre Van Deuren, van stuk 12, vertelt ons : "De dorpen waar we voordien waren voorbij gekomen, liepen nu leeg. De burgers, radeloos geworden bij het zien naderen van enkele Duitse pantserwagens, waren allen op de vlucht geslagen. Ons stuk trok de wacht op aan de ijzeren muur, bij het fort van Lier te Koningshooikt. In de namiddag kwamen geniemannen de muur grendelen. Tot dan toe was er een opening gelaten om de burgers toe te laten door te trekken.

Het was rond 5 uur in de namiddag dat Raymond DELBEKE ons proviand kwam brengen. Op dat ogenblik waren we slechts met z'n drieën aan 't stuk; Kpl Van Houcke, Jean Van Bellingen en ikzelf; de anderen waren bezig een nieuwe stelling te delven voor het geval dat we zouden moeten wijken. Raymond was nog maar pas aangekomen en wij hadden, hongerig als we waren, gretig een hap genomen van een smakelijke uitziende varkensrib,toen de eerste schoten vielen. In de bocht van de baan die we moesten bewaken, zagen we een pantserwagen met kanon 37 mm opdagen, samen met verkennersgroepen. Deze laatsten maakten gebruik van de sloot bezijden de weg, maar aan de overkant. Ons eerste schot had geen uitwerking doordat onze kijker het niet deed. Dan laad ik het kanon met een tweede springgranaat, en maak gebruik van de schootslijn die zich op het kanon bevindt om het stuk te kunnen richten. De pantserwagen stond stil na ons eerste schot. Het tweede schot gaat af en bij een ongehoord geluk schieten wij in de roos. (nadien heb ik vernomen dat we onze tegenstander getroffen hadden tussen het schild en de loop en dat we alzo de rem zouden hebben doen springen).

Maar daarmee was de kous niet af. De verkennersgroepen waren niet buiten gevecht gesteld en die hadden nu onze standplaats ontdekt. Een regen van kogels kwam op ons neer. Een M.G-schutter die ons was toegewezen als steun, werd als eerste getroffen. Dan werd Raymond Delbeke getroffen, terwijl hij bezig was de kolf aan zijn G.P te brengen. Een kogel was hem dwars door de rechterhand gegaan. Enkele ogenblikken later is het Achilles (Kpl Van Houcke) die een kogel in de linker arm krijgt. Hij had zich niet helemaal achter het schild gehouden. Op hetzelfde moment werd Jean Van Bellingen getroffen door een scherf in de heup. De getroffenen trekken zich terug terwijl ik alleen achterblijf aan 't stuk. Onmiddellijk daarop kwamen Adjt Hoschet en Sgt Bastiaensen mij vervoegen. Ik werd toen gewond aan de rechterhand door een scherf. Wij waren niet meer in staat weerstand te bieden en zagen ons genoodzaakt al sluipend weg te trekken. Op zeker ogenblik konden we niet meer verder wegens onze eigen prikkeldraadversperring. Onmogelijk het hoofd omhoog te brengen want de Duitsers schoten rakelings boven het graangewas. Al bij al mochten we nog van geluk spreken want ik had de voorziene kniptang aan mijn gordel hangen. Deze werd onze reddende engel en, niettegenstaande mijn kwetsuur, kon ik het onderste deel van de prikkeldraad doorknippen zodat w'er onderdoor konden kruipen. Dan trokken we naar de verplegingsdienst waar we onze gekwetste makkers terugvonden. Nadat een spoedverband werd aangebracht werden wij zoals "De drie musketiers" die ook met zijn vier waren, met een ziekenwagen naar de achterste linie gebracht. Het waren Achilles Van Houcke, Raymond Delbeke, Jean Van Bellingen en ikzelf. Ik heb nadien nog vernomen dat Sgt Bastiaensen licht gewond werd door een scherf aan de schouder en de knie. Ook Adjt Hoschet had een schram aan de duim opgelopen". Tot daar Pierre Van Deuren.

Korporaal Achilles Van Houcke werd door de korpsoverste tot sergeant bevorderd.

Rond 20 uur kwamen de bevelhebber IV/9 en de kompagniekommandant 14de ter plaatse nadat zij allerlei pessimistische geruchten hadden gehoord. Zij vonden het stuk verlaten. De tractor van stuk 9, met als chauffeur Arthur Steenbrugge, en enkele mannen, heeft dan het kanon (stuk 12) weggetrokken. Ook de fuseliers waren niet meer ter plaatse.

 

Donderdag 16 mei.

 

Het regiment kreeg van de I.D. een stuk K.47 als versterking.

4 uur : iedereen was op de stelling. Andere opstellingen met betere zichtbaarheid en met aangepaste camouflage werden uitgezocht en in gereedheid gebracht. Heel de dag bleven we aan de stukken, met spanning wachtende op de komende dingen want de vijand was toch heel dicht in de buurt. Het was eigenaardig dat men ons niets vertelde van het gebeuren, en dat we niets vernamen van de algemene toestand. Ons werd niets gezegd. Wij zaten op onze enkele vierkante meters met uitzicht op de plek vanwaar de vijand zou kunnen komen opdagen. Geruchten werden genoeg verspreid. Steeds hoorden we verwijderd mitrailleurvuur. Er werd beweerd dat er rond 14 uur een hevige uitval van de vijand zou zijn geweest en dat precies v66r de 10de Kie. Wat er ook van aan was, omstreeks 16 uur opende de artillerie het vuur en dat regelingsvuur bleef aanhouden tot 18 uur.

Omstreeks dat uur hoorden we geruchten over "verder optrekken". Was het weer zover ? En dan kwam het bevel, "zich klaar maken om te vertrekken". We zouden dus weer verder achteruit moeten en nog niet eens een echt treffen gehad met de vijand. Nochtans stonden we steeds klaar om elke aanval op te vangen.Op te merken valt dat wij juist opgesteld waren aan het noorder uiteinde van de lijn KONINGSHOOT-WAKER "ijzerenmuur" en dus aangewezen waren geweest voor de verdediging van een zeer gevaarlijk en strategisch punt zoals het verder nog zou gebeuren voor het 9e linie.§Zo was het tenminste bij onze stukken K.47. Van wat er zich verder afspeelde wisten we niets. Tot nu toe beperkte de oorlog zich voor ons, stellingen uit te bouwen, 's nachts de wacht verzekeren ofwel de weg. op om verder te trekken in zware en moeilijke marsen, en zorgen dat we ergens wat te eten vonden. Aan dat laatste werd bij het leger schijnbaar niet veel aandacht besteed of was het dan toch zo een warboel dat alle ravitaillering en vervoermiddelen in het honderd waren gestuurd. Men moest niet eens een groot strateeg zijn om aan zijn ellebogen te voelen dat er niet iets, maar heel wat, misliep.

Nu, het bevel was gekomen en we zouden weer verder trekken. De versterkingen van het Bon "zware wapens" zouden bij de respectievelijke bataljons blijven, behalve de 15de Kie die samen met haar door paarden getrokken vervoer één kolonne zou vormen.

De achterhoede bestond uit een Pon fuseliers, per Kie, het Pon verkenners gesteund door twee secties K.47 onder het bevel van de bevelhebber van het 111/9. Het regiment zette zich in beweging om 22u30.

Om 23u30 vertrokken de stukken Buttiens en Bastiaensen als dekking van de kolonne. De stukken Soetens en Aurousseau bleven in achterhoede tot 2u30. Het werd weer een zeer afmattende mars over DUFFEL, WAELHEM en MECHELEN weer eens zo'n vijfentwintig km en 't was nog niet gedaan want we zouden nog verder trekken.

 

Vrijdag 17 mei.

 

Na een enorme omleiding kwamen we aan te MECHELEN. Het was zowat 4 uur wanneer de achterhoede aankwam. Rond Mechelen werden de K.47'ers in stelling gebracht langsheen de Dijle. Dan bij aankomst in Mechelen werden we zowat twee uren opgehouden. De artilleristen hadden voorrang op ons.

De K.47 verlieten hun stelling en voegden zich bij het IVde Bon. De mars ging verder naar WILLEBROEK toe, hetgeen weer eens betekende dat we zowat 15 km meer in de benen zouden hebben. De trek naar Willebroek is niet zonder hindernissen gegaan. Ten eerste scheen er geen einde aan te komen aan die afstand. Ten tweede vielen er bommen rondom ons langs de weg. Meermaals moesten we in de greppels duiken om te ontkomen aan de uitwerkingen van die ontploffingen. Gelukkig stonden die greppels droog. Tijdens een van die duikpartijen kreeg een liggende korporaal een koekop tegen zijn helm aan. We laten het hem liefst zelf vertellen. "Op weg naar Willebroek. Het is tijdens die trektocht dat er rondom ons bommen vielen. Er stond vee in de weiden. Op zeker moment was het nogal erg en we moesten dekking zoeken in grachten bezijden de weg. Terwijl ik daar lag ontplofte een bom in de weide en ik voelde een hevige schok. Bij het opkijken lag er voor mij (in de gracht gerold) een koekop. Helm en nek zaten vol bloed (van dat koebeest uiteraard). En ik dacht... ja wat dacht ik ? Men kan zoveel denken op dergelijke ogenblikken". Tot daar de vertelling.

Tijdens de mars werden we steeds gehinderd door voorbijtrekkende artillerie. Kolonel Bouha drukte het aldus uit in zijn dagboek : "De artillerie komt zich vanop alle plaatsen mengen in onze kolonne zonder ontzag voor de uitgeputte infanteristen. Het zijn hinderlijke wapenbroeders op de wegen".

Wij hadden het groot genoegen de nieuwe luchtafweerkanonnen van Zweeds fabrikaat BOFORS een Duitse stuka te zien afschieten onder gejuich van de ganse kolonne.

Rond 8 uur kwamen we aan te WILLEBROEK waar we wat konden uitrusten in een school. Sedert vele dagen kregen we nu eens warm eten van het leger : 's middags tomatensoep, 's avonds, zalm, sla met erwtjes en aardappelen.

De vijand kwam opdagen aan de overkant van het kanaal. Omstreeks 16 uur werd de brug van Willebroek opgeblazen. Het was voorzeker een zware lading springstof want over een grote afstand, waren ruiten, ramen, deuren en zelfs daken aan diggelen. De stad die ongeschonden was bij onze aankomst was nu één verwoesting. Er werden geen stellingen gemaakt want we zouden weer verder trekken.

Om 21 uur, bij valavond weerklonk hevig geweervuur nabij de brug van Willebroek. Duitsers waren erin geslaagd het kanaal over te steken en hielden zich op in de verwoeste huizen. Wij vernamen dat onze fuselier: slaags waren met de vijand. Rond 22 uur vernamen we dat Sgt De Backer de dood zou gevonden hebben bij dit treffen.

Om 22u30 zette het regiment zich in beweging. Wij zijn vertrokken rond 23u10 te voet met pak en zak zoals naar gewoonte. Zeer zware mars langs LIPPELO over BAASRODE naar DENDERMONDE. Eén sectie van de 13de en één van de 14de Kie versterkten de mobiele achterhoede.

 

Zaterdag 18 mei.

 

Rond 8u30 hadden we, dank zij een kortere weg BAASRODE bereikt. Daar moesten we over een pontonbrug de Schelde over. Op het eerste gezicht zag het er een gevaarlijke onderneming uit omdat vijandelijk vliegtuigen boven onze hoofden rondcirkelden. Wat zou er gebeuren indien zij ons, tijdens de overtocht, zouden bestoken met bommen of mitrailleren. En we hadden daartegen geen enkel verweer. Alles verliep zonder enig incident. De Duitsers lieten ons gerust betijen. Eigenaardig in oorlogstijd ! Zij moesten ons toch gezien hebben. Maakte het misschien deel uit van hun strategie om ons, soldaten, goed te stemmen tegenover hen ? We zouden het haast moeten geloven !

Er werd verteld dat het 3de Linieregiment zich in wanorde terugtrok en dat daar een paniekerige stemming heerste. Soldaten van dat regiment mengden zich in onze kolonne. Naar we nadien vernamen, zou onze korpsoverste lelijk tekeer zijn gegaan tegen die mannen die zelfs hun kentekens zouden afgedaan hebben om beter ongemerkt weg te kunnen. Hij zou ze als deserteurs uitgeleverd hebben aan de rijkswacht.

Op de linkeroever van de Schelde was het één opstopping van troepen en vluchtelingen. Gemotoriseerde troepen patrouilleerden langs de oever.

Onze trek ging over GREMBERGEN en MOERZEKE tot in HAMME ST.-ANDRIES waar we konden uitrusten en om eten vragen bij de burgerbevolking die zich opmerkelijk kalm hield. Alles samen hadden we weer eens, vanuit WILLEBROEK een mars achter de rug van om en bij de 42 km. We zouden hier bij avond opgehaald worden door bussen die ons naar ERTVELDE zouden brengen waar we weer in stelling zouden gaan. In afwachting konden we wat rusten en ons verfrissen want dat laatste liet ook veel te wensen over.

22 uur : de bussen kwamen aan in ST.-ANNA op een paar kilometers van Hamme. Onze tractors met kanon waren reeds vertrokken. Het instappen verliep niet zonder moeilijkheden, te wijten aan een tekort aan voertuigen. Uiteindelijk moesten twee kompagnies, de 6de en de 7de, achter blijven. Doch aangezien er geen andere voertuigen meer voorhanden waren zagen deze sukkelaars zich verplicht de lange weg te voet af te leggen. Een trip van meer dan 30 km. In LOKEREN werden zij door vliegtuigen bestookt en dit bombardement kostte de 7de Kie twee doden en talrijke gewonden. Onze eigen voertuigen waren spoorloos serdert de eerste dagen. Achteraf vernamen we dat ze in BOULOGNE (Frankrijk) stonden. Wie was zo oliedom geweest dergelijke orders te geven of werden die soms niet gegeven ?

 

Zondag 19 mei.

 

Om halfeen 's nachts vertrokken de autocars. Het was omstreeks 5u30 wanneer we uitstapen in ERTVELDE. Onze tractors met kanon stonden ons reeds op te wachten. Er heerste aldaar een onbeschrijfelijke opstopping. De kompagnies van het IVde Bon beschikten over een niet onaardig kantonnement, gelegen ten oosten van het dorp. De bevolking ontving ons biezonder vriendelijk. Het was zondag en enkele zeldzame kerkgangers hielden zich op onder de kerktoren om vandaar de H. Mis te volgen. Zodoende konden ze zich vlug uit de voeten maken wanneer er een alarm zou komen.

Wij namen even wat rust. Al die dagen en nachten, van maar steeds achteruit trekken, waren nu precies niet van aard om het moreel van de troepen op peil te houden. Omstreeks 17 u. hield O/Lt van Overheem een korte toespraak om dat moreel op te peppen. Het was ook broodnodig want wij begonnen de moed te verliezen. Kwam daar nog bij, het zien van al die vluchtelingen dat een echt miserabel zicht was. In zijn dagboek drukt de kolonel zijn moedeloosheid als volgt uit : "Hoe zal de troep nog ooit stand kunnen houden of weerstand bieden in dergelijke omstandigheden".

Om 19u30 verlieten we Ertvelde en kruisten een kolonne vluchtelingen waaronder een aanzienlijke groep geesteszieken. Zij waren begeleid door enkele Broeders van Liefde en kwamen uit Zelzate dat werd ontruimd. Het was een deerniswekkend gezicht, zo die arme stumperds te zien gestikuleren en nieuwsgierig rondom zich kijkend. Hoe lang zaten deze mensen al in een gesticht ? Alles wat er gebeurde was al niet normaal voor de gewone man, laat staan voor die sukkelaars. Het was om bij te huilen, zo zielig was dat.

Het werd weer één opstopping, teweeggebracht door de artillerie. Uiteindelijk kwamen we aan te ASSENEDE, na een mars van om en bij de 6 km. We hadden voordien rust gekend zodat die mars meer een wandeling leek, ware het niet van die opstoppingen. Het was nu 21u30 geworden en we brachten de nacht door in voorlopige kantonnementen. Het werd een kalme en rustige nacht.

 

Maandag 20 mei.

 

In de vroege morgen, om 6 uur, vertrokken we naar de stellingen te TRIEST. Aldaar deed Sgt Buttiens de koop van zijn leven en de levensmiddelen waren bestemd voor de manschappen van 't stuk. 'Hij kocht o.a. bloem, doosjes tomaten, Oxo en ook maizena. Het zou wel van pas komen.

Het 9de Linie bevond zich nu in het derde divisie-echelon. De verdeling van de versterking zag eruit als volgt
I Bon -1 Pon 13de – 1 Pon 14de
II Bon - 1 Pon-14de
III Bon - 13de min 1 Pon – 1 Pon 14de - de 15de
Staf/9 L - 6 st. K.47

We trokken nu naar de ons aangewezen kantonnementen. 's Avonds moesten de inwoners de huizen ontruimen en wegtrekken uit de streek. De ravitaillering van onze troepen was afgesneden. Dat was niets nieuws. Eetwaren werden opgeëist of in leegstaande huizen eenvoudig weggehaald. Bij stuk 10 hadden rappe knapen in korte tijd een rijke buit mee : twee voorhespen en één gerookte achterhesp alsook 4 flessen wijn en een fles Porto. Nu zouden we gedurende enkele tijd geen honger meer lijden. Daarmee was het probleem -ravitaillering- opgelost en het moreel stond al weer op "Mooi weer".

Rond 20 u. werden we overvlogen door 27 vijandelijke vliegtuigen. Zij overvlogen onze stellingen en bleven nog wat rondcirkelen. Met geweren werd op deze vliegtuigen geschoten maar laagtrekkende vliegtuigen zijn als een flits voorbij.

Hier vernamen we hoe LOKEREN gebombardeerd werd. 's Nachts werd de wacht bij het stuk verzekerd door twee man, die om het uur afgelost werden.

Heel de nacht door, zwaar artillerievuur dat ons belette rustig te

slapen. Ook onze artilleristen waren druk doende. ASSENEDE werd gebom-

bardeerd vanuit vliegtuigen maar tevens door artilleriegeschut.

 

Dinsdag 21 mei.

 

In de voormiddag werden we reeds veelvuldig overvlogen door vijandelijke vliegtuigen. Voortaan spreken we nog alleen over vliegtuigen "tout court". Andere waren toch niet te bespeuren.

Nu laten we even Sgt Buttiens aan het woord die vertelt hoe hij die dag heeft doorgebracht. "Ik voel me ziek en blijf liggen. Bij gebrek aan een dokter brengt de infirmier mij 4 aspirines. Ik drink de hele dag warme melk. De korporaal van mijn stuk staat zelf in voor mijn verzorging, terwijl de manschappen een smalle loopgracht en een schuilplaats maken. Ook de camouflage van het stuk moest bijgewerkt worden. Er is hevig artillerievuur in de richting van het SAS van GENT. 's Namiddags komt men vrijwillige patrouilleurs vragen. Boden zich aan : Adjudant HOSCHET, Sgt BASTIAENSEN, Sgt DE GIETER, Sgt VAN HEUL korporaal MENSEEREN en soldaat Hullebroek". Tot daar de stukoverste van stuk 10.

Tegen de avond aan werd een bres geslagen in de stelling bij het kanaal GENT-TERNEUZEN. Het 111/9 met zijn versterking hield zich klaar om een tegenaanval uit te voeren. Er werd echter niet om tussenkomst gevraagd.

Nog wat later in de avond sloeg men weer alarm. De 13de I.D. zou haar stellingen aan het kanaal verlaten hebben. Onze korpsoverste vertrok onmiddellijk naar het 111/9 dat belast was met de tegenaanval. Nogmaals was het niet nodig tussen te komen aangezien de 13de I.D. zelf de orde hersteld had. Desondanks zijn mannen van het 34ste Linie op de vlucht geslagen en kwamen aldus in onze sektor terecht. Zij werden gegrepen door de gendarmen.

Omstreeks 21 u. kreeg het stuk 10 bevel te marcheren en zich bij de 9de Kie te voegen. Wij bleven te TRIEST maar moesten ons op de weg opstellen en bleven daar de ganse nacht. Er werd fel geschoten door onze artillerie. Wij zagen de benzineopslagplaats van Zelzate, op nog geen 2 km. hiervandaan, in vuur en vlam staan.

Die nacht werd er natuurlijk, gezien de situatie, geen oog dicht gedaan. Zouden we nog moeten oprukken naar het kanaal ? Geen mooi vooruitzicht in het midden van de nacht en in een streek die ons volledig onbekend was.

 

Woensdag 22 mei.

 

Om 5u30 vertrokken we naar onze vorige stellingen. Het was een kalme dag. De stukken K.47 moesten geverfd worden in camouflage-kleuren. Terwijl de mannen van stuk 10 daarmee bezig waren, waste Pierre LUYCKVANZEEL het ondergoed van iedereen.

Om 19 uur kwamen gemotoriseerde troepen onze plaats innemen. Wij moesten ons klaar maken om weg te trekken. Eens temeer. Het nat linnen en de kousen vlogen zo de ransel in. Wij stonden klaar om te vertrekken.

Om 21 uur zette het IV/9 zich in beweging. De 14de Kie kon echter niet direkt mee wegens het achterwege blijven van een Pon. De 14de vormde dan het staartstuk van het 111/9. Langs stofferige en lastig begaanbare wegen trokken we te voet naar EEKLO. Het was een pikdonkere nacht en de batterijen van de artillerie veroorzaakten weer enorme opstoppingen. Bij elke halte lieten de manschappen zich ter plaatse neerzijgen van vermoeidheid en vielen onmiddellijk in slaap. Zij liepen alzo het risico overreden te worden door de voorbijtrekkende batterijen of andere voertuigen die langs de donkere weg reden.

 

Donderdag 23 mei.

 

Het was 5 uur in de morgen wanneer we langs EEKLO voorbijkwamen. We moesten de weg langs het afleidingskanaal van de Leie volgen. We hadden weer een 15-tal km. in de benen en waren doodop van vermoeidheid. Het IV Bon hield halt in de bossen van OVERDEVAART. Met onze Kie moesten we bivakeren in KRUIPUIT, op zowat 5 km. ten Z.O. van Eeklo.

Om 11u30 werd bevel gegeven de versterkingen als volgt te verdelen :

I Bon - 1 Pon 14de
II Bon - 1 Pon 13de - 1 Pon 14de - 1 Pon 15de
III Bon - 1 Pon 13de - 1 Pon 14de - 1 Pon 15de
Staf/9 - 14de 3 Pons - Staf IV/9

Het zou moeilijk worden de stelling te verdedigen : oneffen terrein, bossen en huizen die niet alleen het zicht belemmerden, maar tevens een schietveld onmogelijk maakten. Heel moeilijk om daar steunpunten te vormen. Het front was ook zeer uitgebreid.

Alles bij mekaar was het een kalme dag voor het 3de Pon K.4/7. Ook een rustige, niettegenstaande de felle bedrijvigheid van vliegers die her en der een bom uitwierpen. Tijdens de nacht kwamen er Engelse vliegers over onze stellingen gevlogen. Niet te geloven ! Naar men ons vertelde werd TRIEST diezelfde dag gebombardeerd.

 

Vrijdag 24 mei.

 

Na een kalme nacht was het om 4 uur wekken geblazen. Iedereen was naarstig aan 't werk om de stellingen op te bouwen. Tijdens die werken werden er meermaals vliegers gesignaleerd die ook over onze stellingen vlogen. We werden echter geen enkele maal door die vliegende vijanden aangevallen of zelfs lastig gevallen. Vanaf 14 uur onophoudelijk artillerievuur van onze troepen.

18 uur : Het peloton Borremans, K.4/7 dat als versterking bij het 111/9 was, werd overgeheveld naar de 17de I.D. (7de, 8ste en 9de Jagers te Voet)

Men wilde de vrijwillige patrouilleurs uitsturen om Lt Loosen terug te brengen in onze lijnen. Niemand wist echter of hij al dan niet gesneuveld was. Adj. HOSCHET die door de Kolonel werd geroepen om die patrouille te leiden stelde aan Sgt. Paul VAN DEN BOEYNANS die Lt. LOOSEN vergezelde de vraag of zijn overste nog in leven was. Hij ontving echter negatief antwoord en stelde voor geen nutteloze patrouille uit te zenden waarin de Kolonel toestemde. Het scheen van wel. Na wat gepalaber tussen korpsoverste en de leider van de patrouille (Adjt Hoschet) werd beslist toch niet te gaan. Het was nutteloos om vijf levens op het spel te zetten om, in het beste geval, een dode terug te brengen. De schermutseling tussen Lt Loosen en de Duitsers had plaats gehad in Eeklo.

21 uur : Het bevel werd gegeven zich klaar te maken om te vertrekken en nog niet éénmaal is er een serieus treffen geweest met de vijand. Er moet wel gezegd worden dat er nimmer massa-aanvallen werden gemeld, het waren telkens kleine gevechtsgroepen die zich infiltreerden in onze lijnen. Dat was een nieuwe wijze van oorlog voeren. De oorlog 14-18 was ver achter ons.

We vernamen nu ook dat het maar alleen het 9de Linie was dat noodgedwongen naar de streek van ROESELARE moest overgebracht worden. Het verzamelpunt om in de autobussen te stappen was KLEIT, zo'n 6 km. daar vandaan. We zouden later vernemen en ondervinden dat het er erg aan toeging in de omgeving van Roeselare. Vanuit onze standplaatsen vertrokken we om 22u30. Tractors, vervoer met paarden (13de en 15de) en andere voertuigen alsook de fietsers vertrokken onmiddellijk richting Roeselare. En wij maar afwachten. De autobussen zouden slechts om 2u30 aankomen. Uiteindelijk was het 4 uur in de morgen van 25 mei toen we konden vertrekken. Wat in de donkere nacht moest gebeuren, gebeurde nu in de morgenklaarte.

 

Zaterdag 25 mei.

 

Van bij ons vertrek werden we bestookt door schrapnels. Onderweg werden we, naar we achteraf vernamen, aangevallen door vliegtuigen. Weinig mannen van ons peloton hebben van die aanvallen iets afgeweten daar ze in een diepe slaap gedompeld waren. Een granaat of bom zou zijn neergekomen op een autobus die mannen van de 10de Kie vervoerde. Twee mannen vonden de dood tijdens die tocht n.l. een van de 10de Kie en een TS van de 8ste Kie.

Aankomst nabij het station van ROESELARE, het is 6 uur in de morgen. Het was daar één warboel in Roeselare. Ook een echt mierennest dat geweldige opstoppingen veroorzaakte. We vernamen dat de meeste burgers die hier rondhingen, die van 16 tot 35 jaar waren, die langs de radio opgeroepen werden. Die jongens schenen niet goed te weten waar naartoe. Het was als het ware het reserveleger op de dool.

Op bevel van de bevelhebber IV/9 bleven we niet langer in ROESELARE en begaven ons op weg naar RUMBEKE. Aldaar werden we echter opgehouden aan de overweg. Een sliert van goederenwagons trok daar voorbij. Die treinstellen waren bestemd om een anti - tankhindernis te vormen op de spoorlijn Roeselare-Ieper. We werden daar een hele tijd opgehouden. Het 9de L. moest zich naar Bosmolens op het grondgebied Izegem begeven om daar stelling te nemen. Naar men hoorde zeggen om er een regiment te vervangen dat het had laten afweten. Na een lang oponthoud trokken we verder over Rumbeke naar Izegem. We werden weeral veelvuldig overvlogen door Duitse toestellen maar zonder er hinder van te ondervinden. Stuk 10 kreeg tegen de avond een barslechte plaats aangewezen ! 's Nachts klopten we de wacht bij de stukken en wie niet van wacht was werkte aan het graven van schutterskuilen. De ravitaillering van het leger was hoe langer hoe meer onzeker. Van de hele dag geen eten gezien hetgeen zijn uitwerking had op de moraal van de troepen. Van burgers kregen we één boterham met koffie; zo gebeurde het althans aan stuk 10.

Verdeling van de aanvullende versterking :

I Bon - 1 Pon 13de - 1 Pon14de
II Bon - 13de 1 Pon - 1 Pon14de
III Bon - 1 Pon14de +15de Kie.

Roeselare onderging een bombardement om 19 uur. Om 20 uur werd Izegem gebombardeerd.

Het was rond 18 uur dat we uiteindelijk aankwamen op Bosmolens. Inmiddels waren tractor en kanon aangekomen en, zoals vroeger gezegd, konden we aan het werk om schutterskuilen te maken. Het schietveld was redelijk doch er was geen enkele hindernis tegen vijandelijke aanvallen; geen prikkeldraad voorhanden; weinig munitie en bijna geen diepte. Daarbij een geïmproviseerde artilleriesteun die nog tekort richtte zodat eigen troepen beschoten werden. Onder artillerievuur brachten wij de nacht door op onze stukken die 's anderdaags onze stelling zouden worden. De ravitaillering in levensmiddelen was beneden alles. Daarbij beschikten we over weinig munitie. Naar we nadien vernamen stonden we weer onder het bevel van Generaal Daumerie. Dat betekende dat de rest van de I.D. ook was overgekomen. Dank zij onze eigen ingesteldheid en wilskracht waren we nog in staat weerstand te bieden aan een vijand die op alle gebied superieur was en die over heel wat mogelijkheden beschikte, terwijl wij.... ! De Duitsers waren LENDELEDE binnengerukt 25 mei te 14u30.

 

Zondag 26 mei.

 

Van in de vroege ochtenduren verdere afwerking van de stellingen en de camouflage. Dit alles onder vijandelijk artillerievuur. Onze eigen artillerie was ook in aktie getreden, maar jammer genoeg trof zij de rechterflank van het 11/9. We vernamen dat 21 verkenners niet teruggekeerd waren van een patrouille-opdracht. Was het waar of was het alleen maar een gerucht om het moreel te treffen.

De hele voormiddag hing een Duitse observatieballon in de lucht. Zo doende werd heel de omgeving in de gaten gehouden. Elke beweging van onze troepen werd op een regen van obussen onthaald. Bij stuk 10 hadden de sergeanten-stukoverste en -sectieoverste een betere plaats gevonden voor onze 4/7. Die plaats zouden we kunnen innemen tegen de avond. Wij moesten rekening houden met de waarnemers in de ballon. Een vliegtuig van ons of van de geallieerden zou daar korte metten mee gemaakt hebben, maar helaas, wij schenen over geen vliegtuigen te beschikken.

Om 17 uur meldde de bevelhebber van het 111/9, vijandelijke troepen over gans het front en vroeg de hulp van de 15de die onmiddellijk in aktie trad en puik werk verrichtte. Rond datzelfde uur moesten alle burgers de streek ontruimen.

Vanaf 18 uur kregen we onverwachte aanvallen van Duitse patrouilles. De korpsoverste verheugde zich over het uitstekend werk van de kanonnen 4/7. Die vuurden immers op vijandelijke nesten met automatische wapens en veroorzaakten een schrikwekkende uitwerking. Aldus onze korpsoverste. Tijdens die aanvallen sneuvelden twee mensen van ons peloton.

Bij stuk 11 (Sgt Soetens) gelegen aan de Manegemst raat, had Charles Mertens een persoonlijke schutterskuil gemaakt, rechts van het stuk. Van daaruit, en door het feit dat het kanon niet in actie moest treden, schoot hij met een Mauser-geweer type 1890 dat hij gevonden had. Ook munitie voor dat wapen had hij meer dan genoeg gevonden, achtergelaten door derden. Het staat vast dat hij nabij een haag twee Duitse soldaten heeft neergehaald. Dat werd 's anderdaags bestatigd door de heer Jef Vroman, die teruggekeerd was naar zijn woning op enkele meters van de plaats. Een derde zat dood in het deurgat van een atelier van de heer Vroman. Waarschijnlijk ook door Charles Mertens getroffen. Op zeker moment hadden fuseliers bij het terugtrekken een M.G. achtergelaten. Onder het hevig vuren durfden zij het niet terughalen. Korporaal Meert, kpl-richter bij stuk 11, aarzelde geen seconde en ging spontaan zelf het wapen recupereren. Teruggekomen op de borstwering van zijn stelling werd hij dodelijk getroffen. In de armen van een kameraad ging zijn laatste zucht naar zijn moeder. "Ma" is het enige en laatste woord dat over zijn lippen is gekomen. Door het hevig vuur van de vijand was men verplicht, Kpl Rik Meert voorlopig te laten liggen waar hij lag. Zoon van een invalide van de oorlog 14-18 zelf aan de gevolgen van zware kwetsuren overleden.

Het stuk 9 (Sgt Aurousseau) was ook nauw betrokken bij de gevechten aldaar. Maurice De Rouck vertolkt het als volgt : "Ons kanon 4/7 werd opgesteld vlak achter een haag (aan de Blekerijstraat), met de loop bijna door de haag. Bladeren van de haag werden verwijderd omdat zij het zicht belemmerden. Op 100 à 150 m. v6ór ons bevond zich een fabriek voor het verwerken van vlas, alsook enkele kleine huisjes. In de namiddag, omstreeks 6 uur, werden we aangevallen door vijandelijke troepen. We zagen de soldaten, rechtop lopend en al schietend op ons afkomen. We lieten niet begaan en schoten terug met geweren en G.P. in alle hevigheid. De Duitse soldaten, blijkbaar verrast door ons optreden, zochten dekking achter de huisjes en in de vlasfabriek. Sgt Aurousseau en ikzelf zagen ze binnen rennen. Sgt Aurousseau zei me het kanon met springgranaten te laden. De fabriek werd met 3 à 4 granaten beschoten. Onze Sgt Jules, zoals we hem noemden, stond half ongedekt in een ondiepe loopgracht en vuurde erop los met zijn G.P. met kolf eraan. Opeens viel hij achterover, en ik zag wit voor zijn ogen komen, sprong naar hem toe, nam hem in de armen, en hij stierf zonder nog een woord te hebben gezegd, met de hand op het hart. Ik heb zijn trui weggetrokken en gekeken; de kogel was door de elleboog in het hart terecht gekomen. De Duitsers riepen ons toe langs een luidspreker "Vlamingen nicht schiessen" maar dat was te laat; er waren doden en gewonden gevallen, die na het gevecht, langs beide zijden begraven of verzorgd werden. Onze Sgt werd begraven ter plaatse in het hofje van de "coiffeur". Het was een moedig man die geen angst kende. Voordat hij begraven werd, is de aalmoezenier gekomen om hem de laatste sakramenten toe te dienen, en zijn bezittingen uit de zakken van zijn uniform te verwijderen. Er bevond zich daarbij ook een brief van zijn moeder die o.a. zegde : "jongen, jongen ... oorlog, oorlog, wie had dat ooit gedacht".

Bij het stuk 10 (Sgt Buttiens) dat opgesteld stond, ergens in de buurt van de Molenhoekstraat, met als opdracht de weg naar Lendelede onder schot te houden, waren er moeilijkheden met de munitiebevoorrading. In de late namiddag kreeg het stuk opdracht op automatische wapens te vuren. Na die opdracht was, voor een onbekende reden, de kijker ontregeld en praktisch onbruikbaar geworden. Ietwat later, opdracht, een mitrailleusenest uit te roeien dat zich bij een hoevetje bevond en voortdurend onze troepen beschoot. Zo goed en zo kwaad als het ging, mikkend van,de kulas uit door de loop van 't kanon heeft de Kpl-richter het stuk weten te richten op het aangegeven doel, en met één voltreffer werd de mitrailleuse tot zwijgen gebracht. Al bij al een gelukschot want niemand was daarop getraind. Onmiddellijk daarop werd het stuk, van alle kanten uit, onder vuur genomen, biezonder opzijn rechterflank. Onder hevig vuur werd het stuk met mankracht een paar meter achteruit getrokken en in een andere schiethoek gebracht.

Sgt Buttiens schrijft letterlijk in zijn verslag : "Daarna werden we van in de flank beschoten. Onder volle vuur trokken Menseeren, Fourrie, Maroten en ikzelf het zwaar kanon door de mulle grond, twee meter achteruit en meer schuins. Gelukkig werd niemand van mijn stuk geraakt".

Veel heeft het echter niet geholpen want het stuk bleef voortdurend het mikpunt van de vijand die ook zo gemanoeuvreerd had om het toch te kunnen uitschakelen. De tractor was aldus komen bloot te staan aan het vijandelijk vuur. Om tractor en kanon niet kwijt te spelen, is de kpl-richter zonder opdracht en uit eigen initiatief naar de tractor gerend, steeds onder hevig vuur. Hij kreeg het voertuig op gang en bracht het niet zonder moeite tot bij het stuk. Dat werd dan aangehaakt en weggetrokken tot achter de hoeve. Zo kwam het uit het zicht van de vijand en buiten het bereik van de kogels. Het mag een wonder heten dat bij al dat gemanoeuvreer niemand van dat stuk geraakt werd. Tractor en kanon van stuk 10 waren gered en konden nieuwe opdrachten uitvoeren. Het was toen reeds een uur of half negen geworden. Om 21 uur bevonden de mannen van stuk 10 zich op de nieuwe stelling. Enkele soldatenbeschuiten als voedsel en Sgt Goossens was komen aanzetten met drie flessen Malaga. Waar hij die vandaan had gehaald mag Joost weten. Hij was dolgelukkig dat alles zo goed verlopen was.

Rond die tijd werd bevel gegeven aan het IV/9 zich terug te trekken langs ABEELE en de brug van K ACHTEM tot op 800 m N.O. van de kerktoren van Kachtem. De versterkingen zouden bij de hun aangewezen bataljons blijven. Langs het stuk van Kpl Meert gekomen heeft Kpl Menseeren meegeholpen zijn vriend Meert op een ladder te binden, zodat ze hem ergens konden begraven. Ter plaatse was het niet mogelijk geweest, wegens het hevige schieten van de vijand. Korporaal MEERT werd begraven in de Wallenstraat, nabij de herberg "De krekel".

De 11de Kie bleef als achterhoede, samen met het eskadron wielrijders van de I.D. en ook twee kanonnen 4/7. Het terugtrekken gebeurde zonder enig incident, althans voor wat ons Pon betrof. We waren die dag, met zijn allen, en al zeggen wij het zelf, volwaardige krijgers geworden, waarschijnlijk ook bij het zien hoe de Duitsers onverschrokken tekeer gingen. 's Anderdaags, omstreeks 6 uur in de morgen kwamen wij in Kachtem.

Over die 26ste mei 40 wist General von Knobeldorf, in zijn "Geschichte der niedersächsischen 19 Panzer-Division 1939-1945" (toen nog een infanterie- divisie) het volgende te vertellen in zijn veldboek : "Om 18u30 werd de vernielde kanaalbrug bij Ingelmunster bereikt na hevige gevechten van huis aan huis".

Wanneer we de "General" verder lezen dan komen we tot bestatiging dat er hele regimenten tegenover onze bataljons ingezet werden. Dat was toch niet niks. Het was dus voor de Duitsers geen wandelingetje om dat stukje Belgisch grondgebied te bemachtigen.

 

Maandag 27 mei.

 

De hele nacht hebben we doorgebracht op de wegen en rond 6 uur (althans voor wat stuk 10 betreft) kwamen we aan in Kachtem. Onmiddellijke opstelling. Ditmaal waren we toegevoegd aan het 11/9 ten Z. van het kanaal. Dat bataljon bevond zich in een eigenaardige situatie n.l. de rug gekeerd naar het kanaal waarover een brug en een loopbrug lag. Wij sliepen op hetgeen onze stelling zou worden (alweer !)

Rond de middag werd een Duits krijgsgevangene opgebracht. Het was een ferme kerel van de ruiterij. We hoorden vertellen dat een Duits autovoertuig door een kanon 4/7 van de sectie 'Sgt Borremans beschoten zou zijn en tot stilstand zijn gebracht. Hieruit werden heel wat dokumenten en ettelijke Duitse Marken gehaald, er zaten ook handschoenen en dameskousen in de wagen, gestolen in Sadam in Brussel. De Marken werden met verachting (aldus de korpsoverste) meegenomen in een hoeve. Men heeft nooit meer geweten wat er van geworden is. De inzittenden waren kunnen vluchten lans de sloten.

Nog steeds veel vliegtuigen alsook artillerievuur. Twee vliegtuigen werden neergehaald. Door wie ?Omstreeks 14 uur begon de vijand zich op de ganse frontlijn te vertonen : motorrijders, nadien infanteristen die in kleine kolonnen te voorschijn kwamen. Dat gebeurde op amper 1 km afstand. Onze M. 76ers openden het vuur. Ook onze artillerie deed haar duit in het zakje maar zij schoot alweer te kort zodat granaten neerkwamen op eigen volk, voornamelijk bij de 6de Kie.

Het 8ste Linie dat het 16de vervangen had, moest op zijn beurt wijken. De korpsoverste stuurde de bevelhebber IV/9 om na te gaan hoe de situatie zich daar voordeed en om de verbinding met het 8ste te verzekeren. De majoor ontmoette op zijn weg twee majoors van het 8ste waarvan een hem ver- telde dat ook het 8ste overal moest wijken en dat er slechts op enkele punten stand werd gehouden. Zij vroegen de hulp van het 9de L. om deze onderdelen te ontzetten. De korpsoverste stuurde het wielrijderspeloton in tegenaanval.

Inmiddels was ons Pon opnieuw aan het 111/9 van Majoor Segers toegevoegd. Met een Kie van dit bataljon zouden wij optrekken in tegenaanval. Adjudant HOSCHET vertelt het volgende over het begin van deze aanval : "Kolonel Bouha vervoegde mij in de voorste linie en gaf mij bevel met zijn peloton C 47 de tegenaanval te verrichten. Ik zou versterkt worden door een Peloton MI-MAXIMer bevel van onderluitenanten. Ik liet aan de kolonel opmerken dat hij alzo hoger gegradueerden dan ik onder mijn bevel stelde, waarop de kolonel mij antwoordde : "Monsieur, j 'en ai décidé ainsi". De geinteresseerde pelotonoversten verklaarden mij dan me te zullen volgen en gehoorzamen".Voor wat er zich toen afgespeeld heeft laten we Sgt Buttiens de zaak uit de doeken doen; zijn verslag is volledig en zijn beschrijving van de gebeurtenissen is waarheidsgetrouw.

"16 uur. Onze sectie breekt op en moet met de 9de Kie mee die in aanval trekt langs KRUIPENDAARDE naar DE LIESTER. Geen verwittiging, geen inlichtingen over de vijand, geen gegevens ... niets. De 4/7 blijft achter op DE LIESTER. De vorderende fuseliers worden onder vuur genomen. We zien verschillende gekwetsten. Na een uur komt men de hulp van een stuk 4/7 inroepen aan Sgt Buchin die bij het stuk Soetens is dat geen kans ziet vooruit te komen onder zulk vuur. Sgt Goossens en ik gaan langs de gracht op verkenning. Een 100-tal meter verder werden we echter tot staan gebracht door nijdig mitraillettevuur en springgranaten (waarschijnlijk van een 37 mm.-kanon). Een half uur later houdt het op en kunnen we verder. Ook het stuk Soetens wordt geroepen. Opstelling in een boomgaard op het grondgebied ARDOOIE, gereed om een boerderij te beschieten. Wij krijgen bevel ermee te wachten. Plots wordt van daaruit een andere boerderij beschoten waar mannen van ons inzaten. Veel gekwetsten ? doden ? Bericht van het Bon : het bevel luidt : achteruit trekken. Wij dekken de terugtocht tot in Kachtem. Mijn tractor heeft nog een 7-tal liter benzine. Ik zal met vier man van mijn stuk en twee van dat van zaliger Aurousseau van achterwacht blijven om de aftocht van de divisie te dekken. Onderweg moesten we eventjes wachten, waar we van vermoeienis alle zeven in slaap geraakten. De kolonne was zeker al 3 km. verder toen we gewekt werden. Bastiaensen is met zijn kanon in die aanval gebleven : dood, gekwetst of krijgsgevangene, dat weten we niet". Tot daar het verhaal van Sgt Buttiens.

In feite was tijdens de tegenaanval die geleid werd door de Pelotonoverste was het stuk BASTIAENSEN aan de rechterzijde van ons front gebleven een zware aanval werd tegen dit stuk geleid. BASTIAENSEN bleef zijn stuk met de G.P. verdedigen tot der dood. Wanneer de Pelotonoverste zulks vernam wou hij met soldaat HUYLEBROEK het stuk vervoegen doch werd hier van belet door Majoor SEGERS die de opdracht onmogelijk achtte dit alles geschiedde in de allereerste lijn onder toezicht van Kolonel BOUHA die noch helm noch pet maar enkel een politiemuts droeg met dubbele, zeer zichtbare rode banden en de talrijke en brede vergulde kentekens die zijn graad van kolonel en stafgebrevetteerde aanduidde. Hij droeg witte handschoenen.

Gevraagd naar zijn belevenissen, weet André CLAIRHOUT, chauffeur bij het stuk Bastiaensen, het volgende te vertellen over wat was voorgevallen die 27 mei. "Wij vorderden langzaam op de weg de mannen bezijden de weg, dekking zoekende in de sloten. Aan het kruispunt bij de hoeve (Weze) gekomen, konden we niet verder. Aan dit kruispunt lag een massa fietsen tegen de grond. Ik ging daar zo maar niet overrijden, en opeens werden we beschoten. Duitsers riepen ons toe "Niet schieten, wij zijn kameraden" maar door anderen werden wij verder beschoten. Rik Bastiaensen die op dat moment ook dekking had gezocht in een gracht, riep me toe : "André, we gaan terugkeren". Ik riep dat ik geen rechtsomkeer kon maken met een aangehaakt kanon. Rik riep me toe dat hij het kanon zou afhaken en na gedraaid te zijn terug aanhaken. Hij zou het signaal geven. Ik hoor een geroep en denk, alles is in orde, en ik rij weg. Toen voelde ik dat het kanon niet was aangehaakt, maar ik werd zodanig bekogeld vanuit een hoog venster uit een hoeve, dat ik niet verder gewacht heb. Iets verder gekomen sprongen enkele van onze mannen op de tractor en wij dan maar de terugweg op. Wij hebben daar geen fuseliers gezien".

Tot daar André Clairhout, die nadien het peloton niet meer heeft teruggevonden. Van Marcel De Beuf uit Zonnebeke, die toen chauffeur motorrijder was van Majoor Segers, vernamen we wat volgt : "Majoor Segers stond me op te wachten in 't midden van de weg. Toen ik bij hem kwam zei hij me : Rijd eens terug en ga eens kijken, want er is een kanon 47 mm. achtergebleven. Ik ben de weg naar Ardooie toe opgereden tot wanneer ik een motorgeronk hoorde. Eerst niet wetende wat of wie het kon zijn, heb ik mijn motor opzij gezet uit 't zicht en heb me schuil gehouden in een deurgat. Bij het naderbij komen herkende ik het welgekende geluid van de rupswagen van de 4/7. Er zaten enkele mannen op de tractor, maar er was geen kanon te zien. De chauffeur van 't stuk wist me te zeggen dat de sergeant in een hinderlaag gebleven was samen met het kanon, dat hij waarschijnlijk niet heeft kunnen aanhaken.

Om 21 uur werd de brug over 't kanaal opgeblazen met als gevolg dat het regiment nu in tweeën gebrokkeld was. Wat nu volgt, werd overgenomen uit het historisch overzicht van het IV batljon v/h 9de L. van Majoor van Pottelsberghe de la Potterie : "Bij het invallen van de nacht (21 uur) krijgen we bevel, zo goed of zo kwaad als het gaat, achteruit te trekken naar HOOGLEDE.... Het IVde slaagt erin zich bijna in zijn geheel te hergroeperen en zich terug te trekken langs een weg die vreselijk belemmerd wordt door infanterie, artillerie en secties van het auto-vervoerkorps. Men zegt dat er heel wat tijd nodig zal zijn om daar opnieuw orde in te brengen; en die tijd hebben we niet. De lucht is verlicht door schijnwerpers en lichtspoorkogels. Aangekomen bij de overweg BEVEREN krijgen we bevel rechtsom keer te maken en ons op te stellen. Plotseling is er :niemand meer die voor- of achteruit geraakt. Die janboel ziende gaat de korpsoverste de Generaal, kommandant van de I.D., opzoeken en bekomt dat men zich slechts de volgende morgen zou opstellen. De kolonne kan weeral rechtsomkeer maken. Het IVde werd gekantonneerd in een gehucht van Hooglede (Belle Vue), de kompagnies worden gelegerd daar waar men plaats vindt. Zij zijn nog maar p aangkomen of daar komen twee zwarp granaten neer op het dorp. Het heeft de ganse nacht zwaar geregend.

Om te weten hoe men van Duitse zijde over deze dag sprak, leert "De Geschichte des 30 Infanterie-D ivision 1939-1945 van Hans Breithaupt over de aanval over de Leie en het Roeselaars kanaal" ons het volgende :"De aanval die ten zuiden van Tielt westwaarts was gericht, kwam nu nog meer de diepe flank van de Belgen, die ten oosten van Roeselare met hun front zuidwaarts aan het kanaal in verdediging lagen, bedreigen. Daar ontmoetten we ook de laatste vertwijfelde tegenstand. Met talrijke batterijen bestookte de tegenstander, dorpen, opmarsroutes en verzamelpunten. Vooral in het zuiden, voor het front van onze 26ste infanterieregiment, waar de Duitse bedreiging tegen het Roeselare-kanaal het felst was, weerden de Belgen zich bijzonder energiek.... De aanval van het 26ste, ten noorden van Ingelmunster verliep niet zo vlot. Tegen alle verwachtingen in stootte het regiment tussen "Het Veld" en "Kruipendaarde " op sterke weerstand en moest zich al vechtend een weg banen. Ook Kachtem en Emelgem werden stormendehand ingenomen".

 

Dinsdag 28 mei.

 

Op bevel trokken we ons terug over Beveren waar we langskwamen om 3 uur 's nachts. Onder een plassende regen arriveerden we rond 5 uur in Hooglede. Om 5u45 kreeg het IV/9 bevel, zich gereed te houden om te 7 uur op te trekken naar nieuwe stellingen. Zouden we dan nooit eens kunnen uitrusten zoals het moet en iets warm te eten krijgen ? Al dagen aan een stuk waren we. 's nachts onderweg. Overdag moesten we verdedigingswerken uitvoeren of waren we bet rokken bij gevechten. Zo was dat niet uit te houden.

Anderen dan wij hadden dit ook ingezien en om 8 u. vernamen we dat Koning Leopold III gekapituleerd had. De eerste reactie was er een van vertwijfeling omdat we er doodeenvoudig niets van begrepen na die twee voorbije dagen. Dan kwam een zekere gelatenheid over ons. Wat stond er ons nu te wachten ? Goed de oorlog was voorbij voor ons en we waren nog in leven. Dra werden we omringd door Duitse soldaten die ons geboden onze wapens af te geven. Ik weet niet wat er bij de anderen omging maar ik voelde een grote schok door mij gaan wanneer ik mijn G.P. moest afgeven. En dan nog onze drie kanonnen. Het was zielig om zien. Al die wapens waar jongens zoveel zorg voor hadden gedragen, werden als één hoop afval op elkaar gegooid.

Het waren twee van elkaar verschillende emoties die we ondergingen. Tevredenheid omdat het voorbij was; spijt dat het zo moest eindigen.

Onze bataljonsbevelhebber gebood ons te blijven. Duitse soldaten geboden ons naar huis te gaan. Tegen de avond trokken er vele jongens naar huis toe, ieder voor zichzelf vanaf nu.

Zo eindigde de achttiendaagse veldtocht voor ons peloton. We hadden het ons anders voorgesteld !

 

De Bataljonscommandant besluit in het Frans zijn historisch overzicht.

 

Het IVde Bataljon heeft, vanaf het Albertkanaal tot in de uithoek van Vlaanderen, een afmattende mars gedaan. Ik ben van oordeel dat deze zware vermoeidheid had kunnen voorkomen worden indien de Stafleiders meer contact hadden gehad met de troep.

Verspreid over de infanterie-eenheden was het heel dikwijls moeilijk, zoniet onmogelijk, te voorzien in het ravitailleren in levensmiddelen. Heel vaak heeft men het "système D" moeten toepassen opdat de jongens te eten zouden krijgen.

De infanterie die over versterking van zware wapens kon beschikken, heeft dikwijls nagelaten er beroep op te doen. Alleen dan, als het slecht ging, en wanneer men moest wijken, moesten de zware wapens, in alle spoed, ingrijpen. Van het tekort aan inzicht van derden, waren zij heel dikwijls het slachtoffer.

Niettegenstaande alles, heeft het IVde Bon stand gehouden en aan de fuseliersbataljons de steun en medewerking verleend die men ervan mocht verwachten. Het heeft de veldtocht beëindigd zonder een enkel stuk in handen van de vijand te hebben achtergelaten.

 

 

Persoonlijke belevenissen.

 

Niet alle kameraden van de klas 39 maakten deel uit van het 3de Pon van de 14de Kie. Sommigen werden in het begin van de mobilisatie overgeheveld naar de Kie 4/7 van de 6de I.D. Zij vormden een kompagnie, samen met andere jongens van de 4/7 komende van het lste Grenadiers en het lste Karabiniers. Het was in feite een reserve voor de I.D. die ze dan kon inzetten daar waar nodig.

Een van deze overgeplaatsten werd bereid gevonden een laas te brengen van zijn wedervaren bij deze eenheid. Het is onze vriend Emile PORKE.

"Bij de mobilisatie, werden we met verschillende kameraden, waaronder, Knockaert, Kpl Raeymaekers en ikzelf, met nog anderen, maar waarvan ik de naam vergeten ben, overgeheveld naar de 6 I.D.

We moesten ons naar Vlezenbeek begeven waar we ingelijfd werden, samen met Grenadiers en Karabiniers en reservisten van de klassen 35, 36, 37 en 38; dus allemaal vreemde mensen die we nog nooit gezien hadden. In het begin was het een echte warboel. Eenmaal alles in orde, gingen we voor een paar dagen naar Pepingen. Dan trokken we naar Halle, weer voor enkele dagen. En zo ging het verder totdat we in Blankenberge aankwamen. Daar hebben we een aangename tijd gekend tot wanneer we bevel kregen om naar Tessenderlo te vertrekken. Dat moet ongeveer februari-maart geweest zijn. Aangekomen in Tessenderlo hebben we ons kanon 4/7 in stelling gebracht nabij het vliegveld SCHAFFEN.

10 mei om 4 uur alarm : het is oorlog. De Duitse stuka's vernielen het hele vliegveld, met als gevolg dat niet één vliegtuig is kunnen opstijgen. Diezelfde dag krijgen we bevel alles in paraatheid te brengen om te vertrekken. Het gaat de richting DUFFEL uit en nadien WILLEBROEK. Van daar gaat het in één trek naar BALGERHOEK op het afleidingskanaal van de Leie. We kwamen daar aan de 24ste mei en moesten soldaten aflossen die allen gebrek hadden aan wapens en munitie, om niet te zeggen dat ze niets hadden.

In het begin van de mobilisatie hadden we een G.P. 9 mm gekregen, waarover we nooit onderricht hebben gekregen. Bij het wapen hadden we elk drie laders met 13 kogels, maar bij het uitbreken van de vijandelijkheden werden we verplicht elk twee laders terug te geven; het waarom, weet ik na 45 jaar nog steeds niet.

Op 25 mei lagen we dus gereed om de vijand te ontvangen op een warm maal van obussen, maar het draaide verdekke helemaal anders uit. We lagen in het schietbereik van ons eigen artillerie, zodanig dat we op 26 mei bevel kregen achteruit te trekken buiten het bereik van de artillerie.

Het was precies 16 uur, we waren amper van onze stelling weg of de Duitsers begonnen ons te bombarderen met hun zware Dorniers. We moesten met zijn allen dekking zoeken. Om 17 uur was het uit om nog verder soldaatje te spelen. We werden krijgsgevangen genomen maar voordien heeft onze Luitenant de Neve de Rode op een duits soldaat geschoten en hem ook geraakt.

Nu begon onze krijgsgevangenschap. Te voet van Balgerhoek ging het over Zelzate, waar alle patiënten van een psychiatrische inrichting zomaar op straat losliepen. Het was een triestige bezienswaardigheid. Van Zelzate ging het de richting St.-Niklaas uit. Het overnachten gebeurde in een spinnerijfabriek waar we ook onze identiteitspapieren moesten afgeven.

Op 27 mei vertrokken we van St.-Niklaas naar Hulst en dan verder naar WALSOORDEN in Nederland. Daar werden we ingescheept op een kustboot. Een kustboot is een klein zeevaartuig waaraan drie kolenschepen waren vastgemaakt en die alzo verder werden gesleept. De krijgsgevangenen moesten op die kolenschepen stappen. Onderweg op de Westerschelde is een van die schepen de lucht ingevlogen. Waarschijnlijk op een mijn gelopen. Velen van de krijgsgevangenen vonden er de dood en van diegenen die al zwemmend de oever wilden bereiken zijn er heel wat verdronken. Van Walsoorden ging het per schip van de Westerschelde naar de Oosterschelde, en zo naar het Hollands Diep. Dan op de Waal tot voorbij Nijmegen, om dan terecht te komen op de Rijn. We voeren tot juist over de grens van Holland en Duitsland en belandden in EMMERICH, waar een doorgangslager was om de eerste krijgsgevangenen uit België op te vangen. Het was precies 28 mei. Daar hebben we vernomen dat onze dappere koning Leopold III een eind had laten maken aan het oorlogsgeweld in België. Ik was daar nog samen met Pierre Huyg van de klas 38 en met Jules Coppieters van de klas 37, allebei van het 9de Linie Kie 4/7.

Veertien dagen later werden we naar Stalag 11 A overgebracht op ongeveer 90 km. van Berlijn. Van daaruit werden we in groepen verdeeld om te gaan werken bij de boeren. In de maand december heb ik me ziek gemaakt door een zeer fijn gemalen asperientje te mengen met de tabak van een sigaret. Toen ik dat opgerookt had ben ik zwaar ziek geworden, en met het eerste transport dat met krijgsgevangenen naar België kwam, was ik erbij. Het was toen 11 januari 1941. De rest van mijn vrienden zijn drie maanden na mij toegekomen.

Dit is alles wat ik mij nog heb kunnen herinneren. Ik hoop dat ik zoiets nooit meer moet meemaken".

En dit is dan het wedervaren van onze kameraden die, na gekwetst te zijn geweest in Koningshooikt, geëvakueerd werden. We luisteren opnieuw naar Pietje Van Deuren.

"donderdag 16 mei. Wij brengen de nacht door in een veldhospitaal nabij VILVOORDE. Deze is meer dan volzet en wij mochten in de gang op de grond slapen. Nadien werden we overgebracht naar het hospitaal van AALST. We worden er, elk op zijn beurt verzorgd. 's Namiddags om 3 uur word ik onder verdoving gebracht en de scherf werd uit mijn hand verwijderd. Ik kom uit de verdoving rond 18 uur. Om 23 uur moeten we het hospitaal verlaten ingevolge een zwaar bombardement op de stad. Met een autocar worden we naar LEDE gebracht. Daar brengen we de nacht door in een schoolgebouw en slapen er alweer op de grond.

vrijdag 17 mei. We verlaten Lede en worden met de hospitaaltrein overgebracht naar OOSTENDE waar we om 16 uur aankomen. Wij worden overgebracht naar het "Hotel des Thermes" dat voor de gelegenheid omgetoverd was in hospitaal. Aan de overzijde zien we het strand, dan de zee en op enkele kabel-lengten de pakketboot "Prince Baudouin" waarop men bezig is de goudvoorraad van de Nationale Bank op te laden. Zo kan men het in veiligheid brengen naar Engeland. De Duitsers hebben iets in de gaten gehad en er wordt vrij hevig gebombardeerd. Wij zitten weeral op de eerste plaatsen om alles van dichtbij te kunnen meemaken. Voor de zoveelste maal worden we in een hospitaaltrein gestopt en deze maal gaat het naar Frankrijk.

dinsdag 21 mei. Drie dagen .en drie nachten zijn we op weg geweest met die trein. Niemendal was er géorganiseerd. In 't station van DUINKERKE hebben we een van de hevigste bombardementen meegemaakt. We werden opgehouden in Auxi-le-Cháteau wegens het bombardement op de spoorlijn buiten het dorp. In de namiddag komen er twee tanks opdagen, die ons met een regen van kogels bedachten. Zij schoten echter naar de wielen zodat er weinig gevaar bestond voor ons. Voor de allereerste keer hadden zij rekening gehouden met de Rode Kruistekens die heel zichtbaar waren aangebracht. Wij moeten de nacht doorbrengen in het treinstel. 's Anderdaags moeten we uitstappen en er wordt ons gezegd naar huis te trekken. Wij dan maar de baan op naar ARRAS toe. Onderweg brengen we de nacht door in een pachthof.

vrijdag 24 mei. Heel vroeg in de morgen zijn we met zijn vier de weg op, met het vast idee dat we naar huis toe gingen. Helaas, deze illusie was van korte duur. Al heel snel werden we opgepakt door de Duitsers. Dezen waren al volop bezig de bezetting van de veroverde gebieden, uit te bouwen, terwijl hun pantsers de omsingeling van DUINKERKE doorzetten. Wij worden naar een spinnerijfabriek gebracht te FREVENT. Deze was al ingericht als gevangenenkamp.

zaterdag 25 mei. Op de avond van deze dag maken we de voorbereidselen om dit kamp te verlaten. We vragen aan een Duitse overste te mogen vertrekken met de vrachtwagens. Dit wegens onze zwakke toestand ingevolge de opgelopen kwetsuren. Wij vertellen hem ook dat we nog niet éénmaal een nieuw verband gekregen hebben sedert ons vertrek uit Oostende. Dat verband was dus al acht dagen oud, en nog niet eens ververst. We kregen geen kans mee te gaan met de vrachtwagens, want we werden verwezen naar een in de omgeving gelegen hospitaal. We vonden het heel jammer dat we gescheiden werden van Achilles Van Houcke. Jean, Raymond en ik verbleven hier zes dagen, en genoten van een uitstekende verzorging. Dit liet ons toe terug op krachten te komen. Nadien worden we terug naar het kamp van Frévent gezonden. Van daaruit trekken we te voet op naar Duitsland. Het waren ellenlange kolonnes van krijgsgevangenen die dagelijks zo'n 70 km. moesten afleggen. Tijdens die onnoemelijke wandelingen, kwamen we verscheidene keren langs een slagveld dat bezaaid lag met lijken van Duitsers, Fransen en soms ook Engelsen. Een hele tijd nadien heb ik vernomen dat we door de streek getrokken waren op het ogenblik dat de Fransen een tegenoffensief hadden ingezet om de omsingeling van Duinkerke te breken. Achtereenvolgens trokken we langs Donkvillers, Bapaume. Hier werd ik gescheiden van Jean en Raymond. Dan passeerde ik Cambrai, AVESNES, RANCE (in België) en JEMELLE (in één dag) CAMPLON, om dan toe te komen in BASTOGNE.

donderdag 06 juni. Vertrokken de vooravond vanuit Bastogne met de trein, kwam ik aan in TRIER in Duitsland.

vrijdag 07 juni. Vertrokken rond 10 uur uit TRIER en rijden diep Duitsland in.

zaterdag 08juni. Ik kom aan te NEURENBERG, waar we met zijn allen ondergebracht worden in Stalag 13 A. In dit kamp had, vóór de oorlog, het jaarlijks kongres van de Hitler-jeugd plaats.

Daar heb ik een makker van onze kompagnie teruggezien, Charles De Becker uit Vilvoorde. Tot bij onze vrijlating zijn we samen gebleven. Onze vrijlating gebeurde nogal vrij spoedig, want op 25 juli stond ik in al mijn glorie thuis".

 

 

 

“Toen” in beeld

 

Met dergelijke kaart werd je opgenomen in de K 4/7 - familie. " Niet treuren, het is voor eeuwig niet ! "

 

 

Of deze foto genomen werd op 5 april 1939, zoals achteraan vermeld staat, zal wel altijd een raadsel blijven. Vast staat dat ze wel in 't Klein Kasteeltje genomen werd.

 

Antitank-kanon 47 m/m. Een juweeltje van een verdedigingswapen

 

Tractor Vickers

 

Dat het een kompagnieke van leute en plezier was is hier te zien. Verbroederen met leden van het Engels leger tijdens een feestelijkheid in het Klein Kasteeltje.

 

Het materiaal van het bataljon " Zware wapens " defileert hier vóór het Koninklijk Paleis te Brussel.

 

" Klein Kasteeltje " tijdens de allereerste dagen - Let wel : nog geen kenteken op de politiemuts. Van links naar rechts ; staande : VAN DEN BROECK, Yvo ABBELOOS, ?? , ??, VAN SCHUYLENBERG, Kpl BODDEN, VAN GOITSENHOVEN, Yvo VAN ACKOLEYEN, Arthur STEENBRUGGE - gehurkt : ?? , Hendrik GORIS, Emile PORKE, Jean VANBELLINGEN, Jean VANDENBEMDEN, Antoine STEURS.

 

ELSENBORN. - De chauffeurs klas 39. Staande : André CLAIRHOUT, Maurice VANDEWALLE, Raymond DELBEKE, Sgt PEETERS, Kpl BODDEN, Roger VAN HYFTE, Raoul VAN HEE. Zittende : Urbaan DE WANNEMAEKER, Arthur STEENBRUGGE, René VAN HOOREBEKE, Serafien BONNET, ?? , ?? , Jean VAN DE VELDE

 

Elsenborn juli 1939 - Klaar voor de dagelijkse exercitie

 

Elsenborn juli 1939 - Klaar voor de dagelijkse exercitie

 

Elsenborn 1939. Opgaande wacht met Sgt Vindevogel en klaroen Rik Gooris

 

Enkele manschappen, waaronder vier d.d. korporaals, poseren samen met Sergeant BRACKE

 

 

Adjudant KRO Ad. HOSCHET Pelotonoverste 3de Pon

 

De mannen van de schoolkompagnie aangeduid voor de Kie 4/7. V.l.n.r.' KRO Piet BORREMANS, KRO() Marcel BUTTIENS, KRO() Henri BASTIAENSEN en KRO Bernard DE GIETER

 

De T.S-en van de klas 1939. Kamp van Beverlo in 1940 zittend : Yvo ABBELOOS, staande van links naar rechts, Etienne BROUCKE, Jozef ANGILLIS, Maurice MISSORTEN, Adolphe CORNELIS, LACOMTE

 

Met klaroen Hendrik GORIS

 

Stukken 9 en 10 in Beverlo : staande DEBROYER Jean, CLAES Alex, Maurice DEROUCK, Tisch VAN GOIDSENHOVEN, Jan VAN BELLINGEN, gehurkt van links naar rechts : Sgt SCHOPP, Staf MAROTEN, Ramon VAN VLIET, Pierre LUYCKVANZEEL, Victor BISSCHOP, Sgt BODDEN, liggend : kpl Odi MENSEERE

 

Stuk 11 in Beverlo - staande van links naar rechts : Yvo VAN ACKOLEYEN, Antoine STEURS, René VAN HOENACKER, Paul VAN ." SCHUYLENBERGH, Adjudant pelotonoverste Adolphe HOSCHET, Karel MERTENS, zittend : POURQUOI

 

Tractors van respectievelijk stuk 9 en 10, met als chauffeur, Arthur STEENBRUGGE (vooraan) en Urbaan DE WANNEMAEKER

 

 

Serafien BONNET (links) van stuk 11 en Urbaan DE WANNEMAEKER van stuk 10.

 

Kamp van Beverlo 1940 - De mannen van stuk 10. v.l.n.r. Staf MAROTEN - Jan VAN BELLINGEN, KpI Odi MENSEEREN, Jean DE BROYER, Pierre LUYCKVANZEEL en gehurkt chauffeur Urbaan DE WANNEMAEKER

 

Kamp van Beverlo 1940 - De mannen van de Siegfriedlijn, met de mascotte van het 3de Peloton

 

Beverlo 1940 – de mannen van stuk 12. Van links naar rechts, zittend : Kpl Achiel VAN HOUCKE, DELEEUW, staande : Julien VAN DER SMISSEN, Pierre VANDEUREN, Jean VAN BELLINGEN, Maurice VANDERLINDEN, Frans VAN DERVAEREN en chauffeur André CLAIRHOUT.

 

Stuk 11 aan 1 Albertkanaal in Eigenbilsen. Kanon 4/7 in stelling met bedieners, Karel MERTENS, Robert POURQUOI, René VAN HOENACKER, Paul VAN SCHUYLENBERGH, Sgt Karel SOETENS, Yvo VAN ACKOLEYEN en Kpl Rik MEERT ; en bezoeker Jan VAN BELLINGEN van stuk 10.

 

Kamp van Beverlo 1940 - Een deel van het 3de Pon tijdens de karwei " Patattenjassen ". Moeten er nog patatten zijn ?

 

Waterlo 1940. - Een " kiekje " genomen boven op de berg van de Leeuw van Waterlo

 

De " IJzeren muur ", het huzarenstuk van grote strategen ?

 

Kanon 4/7 in stelling achter een haag van kreupelhout.

 

Majoor SEGERS, bevelhebber lilde Bon met zijn motorrijder Marcel DEBEUF.

 

Een K. 4/7 op weg tijdens de oorlogsdagen

 

De 4/7 is " omnipresent ", zelfs in de onmiddellijke nabijheid van Koning Leopold III en zijn Generale staf te velde.

 

Voor deze 4/7 is alles voorbij na op een landmijn te zijn gelopen.

 

Alles is voorbij. Wapens worden op hopen gegooid, kanonnen worden bij mekaar gebracht, soldaten trekken in kolonnen naar een of ander kamp

 

Alles is voorbij. Wapens worden op hopen gegooid, kanonnen worden bij mekaar gebracht, soldaten trekken in kolonnen naar een of ander kamp

 

Het door velen druk besproken dokument " ENTLASSUNGSSCHEIN " dat men z.g. moest bezitten om " in orde " te zijn met de bezettende macht.