Na ernstige onrust in de door China beheerde Tibetaanse regio's Kham en Amdo vanaf 1956, nam de vijandigheid tegen de Chinese aanwezigheid in Tibet toe. In maart 1959 brak Lhasa in opstand uit en duurde enkele dagen tot het bruut werd onderdrukt door het Volksbevrijdingsleger. Uit angst dat de Chinese regering van plan was hem te ontvoeren, vluchtte de 14e Dalai Lama naar ballingschap in India.