Op 17 november 1989 leidde een gewelddadig optreden van de staat tegen studentenprotesten tot massale betogingen in Praag. Na zeven dagen nam het gehele topbestuur van de Tsjechoslowaakse Communistische Partij ontslag. Op 29 december werd de regel voor één partij afgeschaft, waarbij de leider van de Praagse lente, Alexander Dubček, tot premier en toneelschrijver / dissident Václav Havel werd benoemd tot president