De omgeving van Entrevaux aan de oevers van de Var in de Zuid Franse Alpes Maritimes was reeds bewoond door de Romeinen en bekend onder de naam van het Romeinse stadje Glanate, tijdens de middeleeuwen wijzigde de naam zich in Glandèves en werd de stad ook naar een rots aan de andere oever van de Var verplaatst daar waar vandaag de stad Entrevaux zich nog steeds bevind.

 Tijdens de Renessance sluit Entrevaux zich aan bij het toenmalige Frankrijk en krijgt zelfs wegens bewezen diensten de status van Koninklijke stad van Frankrijk.

Geïsoleerd aan de grenzen van het rijk liggend en een sleutel tot de toegang van Frankrijk vormend waren de heersers wel bekommerd om het onderhoud van de stadswallen, in 1624 besluit dan ook niemand minder dan Kardinaal Richelieu deze nog te vervolledigen en te versterken, tegen 1690 toen de Graaf van Savoye een verbond met Oostenrijk sloot was de verdediging van Entrevaux bijna perfect.

Als gevolg van dit verbond besloot Lodewijk XIV de voornaamste Alpenpassen, Briançon, Embrun, Seyne, Colmars en ook Entrevaux te beveiligen en te consolideren.

De militaire architect Vauban werd dor Lodewijk XIV aangesteld deze lijn waar Entrevaux een deel van is te bouwen.

De nieuwe kathedraal werd in de stadswallen gebouwd en maakt er een deel er van uit, aan de bestaande citadel werd aangepast en achteraan voorzien van een nooduitgang met ophaalbrug over een imposante droge gracht.

Er werd een ondergrondse toegang gegraven die de verschillende delen van de citadel verbond, hierbij werden ook grote voorraadkelders en drie watertanks uitgegraven wat de bezetting mogelijk maakte een lange belegering te weerstaan.

Buiten de stadswallen liet Vauban een poedermagazijn bouwen, waar vandaag in het gebouw van 58 vierkante meter het museum gevestigd is werden destijds 9000 kilogram buskruit bewaard.

De meest opvallende constructie is het verbindingspad tussen de stad en de citadel waartoe Vauban in 1693 de orders tot aanleggen gaf, dit pad begint aan het poedermagazijn en gaat in negen hellende vlakken tot aan de citadel waar een kleine versterking met valbrug de toegang beschermt.

Van op het tweede en derde vlak lopen verbindingen naar twee kleinere forten, fort Langrune en Fort Pendol.

Alle muren van deze hellende vlakken zijn voorzien van schietgaten en hierdoor vormt het pad niet alleen een beschermde verbindingsweg voor mens en dier tussen de stad en de citadel maar draaft ook bij aan de verdediging van het geheel.

De klim van de stadspoort “Porte Royale”, waar ook de toeristische dienst gevestigd is, tot de citadel heeft een hoogteverschil van 135 meter en bedraagt ongeveer een half uur, het volledig bezoek ongeveer twee uur.

Jetons voor de draaideur die de toegang geeft zijn te bekomen bij de toeristische dienst of aan de automaat naast de draaideur, interessant wanneer men de hitte van de dag die loodzwaar tussen de muren en de rotswand op het stenen pad blijft hangen wil vermijden.